Victor vd Bersselaar
(Dit artikel is in het Deens gepubliceerd in 'Etiske dilemmaer i pædagogisk arbejde' (Kopenhagen 2007). Hier is de door collega Victor geautoriseerde Nederlandse versie die door Victor en enkele andere collega’s vaak is gebruikt voor onderwijsdoeleinden.)
HET VERHAAL EN DE DEUGDEN
Weerbaarheidsvergroting door reflecteren op deugden in levensverhalen
Victor van den Bersselaar
Inleiding
Johan Cruyff, Madonna, Lance Armstrong en Shakira hebben niet alleen maar geluk gehad dat ze successen hebben behaald. Ze hebben het lot ook een handje geholpen door hard te werken en vooral ook door persoonlijke eigenschappen te ontwikkelen als gedrevenheid, doorzettingsvermogen, trots en veerkracht. Het zal je misschien verbazen dat dergelijke eigenschappen en de verwerving daarvan mede tot het terrein van de ethiek behoren. Ethiek gaat toch over de vraag wat je wel en niet mag doen? En over waarden en normen? Ja, daarover ook, maar ethiek gaat ook over het stellen van zinvolle doelen in je leven en over het ontwikkelen of verwerven van de eigenschappen en de houding die je nodig hebt om die zin en die doelen te realiseren. Ethiek gaat, met andere woorden ook over de kunst van het leven. En in die kunst kun je je oefenen. Niet om een sterrenstatus te bereiken, want het is de vraag of dat een zinvol doel is. Maar om er achter te komen hoe je zelf in het leven staat en wat je van je leven wilt maken.
De ervaring leert, dat, ook in de hulpverlening, de begrippen ethiek en moraal vooral in verband worden gebracht met waarden en normen, rechten en plichten en met een afweging van de gevolgen van je handelingen. Met andere woorden, ethiek en moraal worden vooral geassocieerd met de vraag: Wat moet ik doen? en met de dilemma’s waarin we verzeild raken als er op die vraag verschillende antwoorden mogelijk zijn die allemaal hun voors en tegens hebben. Maar het gaat in de ethiek om veel meer dan dat alleen. Het gaat ook om vragen als: Wie ben ik?, Wie wil ik zijn? en: Hoe word ik wie ik wil zijn? Het nadenken daarover gebeurt niet in het luchtledige, maar aan de hand van concrete levensthema’s als ouderschap, opvoeding, relaties, verlies, scholing, arbeid, vrije tijd, geloof, levensbeschouwing, enzovoort. Ethiek in deze betekenis heeft te maken met identiteits-, karakter- en attitudevorming.
In deze bijdrage gaan we in op de ethiek in deze brede betekenis van het woord. Deze kan worden samengevat in drie vragen:
• De vraag naar de zin en de bestemming van het leven voor een individuele persoon; deze kunnen we ook formuleren als de vraag naar het goede leven, als de vraag: hoe ziet een (moreel) goed leven er voor mij uit?
• De vraag naar de karakterschappen en de attitude die je nodig hebt om te realiseren wat je voor jezelf als het goede leven beschouwt.
• De vraag hoe je die karaktereigenschappen en attitude verwerft en verbetert.
De praktische filosofie houdt zich al vijfentwintig eeuwen bezig met de beantwoording van deze vragen. Daar valt dus veel van te leren. Ze leert je niet alleen hoe je effectief kunt nadenken over je leven, maar ook hoe je kunt omgaan met tegenslagen en problemen wanneer het allemaal niet zo loopt als je gewild had en hoe je je daarin kunt oefenen. En als deze reflectie en die oefening in het algemeen van belang kunnen zijn voor mensen, omdat ze hun persoonlijke weerbaarheid vergroten, waarom dan niet voor cliënten in de hulpverlening? Het gaat in deze bijdrage met name om de vraag hoe je, door middel van ethische reflectie, cliënten kunt ondersteunen in de vergroting van hun weerbaarheid.
Het uitgangspunt voor deze reflectie wordt gevormd door het verhaal van de cliënt. Cliënten komen niet alleen bij de hulpverlening met problemen, maar ook met verhalen. Door die verhalen geven zij te kennen hoe zij met het leven en de grotere of kleinere gebeurtenissen daarin omgaan. In het vervolg van deze bijdrage beginnen we dan ook bij het verhaal van de cliënt. Vervolgens zullen we zien hoe de deugdethiek en de zorgethiek kunnen worden gebruikt als hulpmiddelen om dat verhaal te vertellen.
1. Het verhaal van de cliënt
Enige tijd geleden hoorde ik het verhaal van een student, ik zal hem Mark noemen, die was opgegroeid in een pleeggezin. Zijn natuurlijke ouders waren op advies van de raad van de kinderbescherming uit de ouderlijke macht ontzet en hij was op tienjarige leeftijd uit huis geplaatst en bij pleegouders ondergebracht. Mark had zich in het pleeggezin niet op zijn plaats gevoeld, of dat nu kwam door de houding van zijn pleegouders of door de worsteling met zichzelf waarin hij als gevolg van het gebeurde geraakt was. Zoals hij er zelf achteraf tegenaan keek waren alle voorwaarden voor een mislukking aanwezig geweest en had hij een van die tragische gevallen kunnen worden die in de marge van de samenleving beland zijn om daar nooit meer uit te komen. Wat hem redde waren niet zijn pleegouders en niet zijn voogd, om niet te spreken over zijn ouders, maar het vaste voornemen dat hij als tienjarige had gemaakt om zich uit zijn benarde positie te bevrijden. Maar dat voornemen alleen was niet voldoende geweest om zich te kunnen handhaven. Het was immers het voornemen van een moment, dat een volgend moment onderuitgehaald kon worden door het verdriet om het gemis van de zorg van liefhebbende ouders, door schuldgevoelens vanwege de crisis in het gezin waar hij vandaan kwam en door de overtuiging dat hij niet deugde en dat hij niet de moeite waard was. Het voornemen om er uit te komen moest dus niet alleen voortdurend herhaald worden, maar ook in concrete, haalbare stappen worden omgezet. Zo gaf hij het in eerste instantie vorm door zich te concentreren op de school. Die gaf hem de mogelijkheid telkens een stukje van zijn voornemen te realiseren. Als hij de middelbare school had beëindigd moest hij zoveel geleerd hebben dat hij zijn eigen toekomst kon kiezen. Daarvoor moest hij zich ook staande houden tegenover zijn pleegouders, die hem een bescheidener schoolcarrière hadden toebedacht dan hij zelf voor ogen had. Tegelijkertijd hij moest zijn verdriet en zijn schuldgevoelens in zoverre te boven zien te komen dat ze zijn voornemens niet in de weg stonden. Dat lukte gedeeltelijk door ze te negeren of door ze tegen te spreken, gedeeltelijk door te onderkennen dat dit de bagage was die hij in zijn leven had meegekregen en dat hij het daarmee maar moest zien te redden.
Toen ik hem sprak had hij inmiddels al bijna een opleiding tot maatschappelijk werker voltooid en maakte hij zich op om psychologie te gaan studeren. Terugblikkend vond hij dat hij vooral had moeten vechten tegen een laag zelfbeeld dat natuurlijk onterecht was. Daar had hij zich telkens en telkens weer tegen teweer moeten stellen. Dat betekende ieders keer weer zichzelf moed inspreken en zichzelf toespreken om vol te houden.
Het verhaal van Mark is geen verhaal uit de hulpverlening, maar het laat wel zien wat het belang van het verhaal voor een leven kan zijn. De basis voor de hulpverlening is altijd het verhaal van de cliënt. Het verhaal geeft betekenis aan de dingen die we doen. Dat begint al voor de geboorte. Want de eerste verhalen over ons leven vertellen we niet zelf, maar worden over ons verteld, door onze ouders en andere mensen in onze omgeving. Ze vertellen over de goede dingen die onze ouders met ons voor hebben, of ze verraden, zoals in het geval van Mark, het onvermogen van ouders om het goede te doen. Pas later worden het steeds meer onze eigen verhalen. Als we volwassen zijn, zijn ze het helemaal. Natuurlijk zijn de verhalen nooit af: ze worden aangevuld met nieuwe gebeurtenissen, en bij belangrijke gebeurtenissen, zoals een huwelijk, een geboorte, een verandering van baan, worden ze opnieuw verteld. En ook los daarvan verandert van tijd tot tijd onze kijk op het leven, zodat we ons verhaal opnieuw moeten redigeren.
Wanneer de verhalen waarmee we zijn opgegroeid, of de nieuwe versies daarvan, hun geloofwaardigheid verliezen, en niet meer te rijmen zijn met opvattingen of vormen van zingeving waarmee we later in aanraking zijn gekomen, lopen ze vast. We kunnen dan spreken van een stagnerend verhaal. En als we er vervolgens niet in slagen ons verhaal een andere wending te geven en weer op gang te brengen, kunnen we een beroep doen op de hulpverlening om ons daarbij te helpen.
De hulpverlener beschikt niet over specifieke methode om het verhaal verder te brengen. Hij doet niet veel meer dan het verhaal interpreteren en zijn interpretaties voorleggen aan de cliënt. Meer dan de gewone gesprekspartner zal hij oor hebben voor de lacunes, de verwarrende of onduidelijke passages en de emotioneel geladen gedeelten in het verhaal en de cliënt hierover feedback geven. Bovendien kan hij de cliënt nieuwe gezichtspunten en andere accenten voorleggen, bijvoorbeeld om in een verhaal niet zwakke, maar juist de sterke momenten naar voren te halen.
Het enige instrument waarover de hulpverlener beschikt is het gesprek, en wel in de vorm van een dialoog. De basis voor dit gesprek is de symmetrische relatie tussen hulpverlener en cliënt. Immers, in de postmoderne wereld hebben de hulpverlener en de cliënt niet bij voorbaat een gemeenschappelijke kijk op het leven. Zij hebben ieder voor zich hun eigen levensvragen min of meer beantwoord in een persoonlijke levensethiek die in hun verhalen tot uitdrukking komt. De hulpverlener kan dus niet vertellen wat het beste is voor de cliënt, hij kan hem alleen helpen zijn verhaal opnieuw en anders te vertellen. Het doel van de hulpverlening is het verhaal van de cliënt weer vlot te trekken. Het woord van de cliënt is de toetssteen voor het welslagen daarvan.
Reflectieve en narratieve identiteit
Levensverhalen draaien om vragen als: Wie ben ik?, Wie wil ik zijn? en Hoe word ik wie ik wil zijn?, de centrale vragen uit de ethiek van het goede leven. In het algemeen kunnen we vaststellen dat in de moderne tijd het houvast van traditionele, op religie en levensbeschouwing gebaseerde overtuigingen en waarden en normen verloren is gegaan. Dat geldt met name ook voor de vanzelfsprekendheid van samenlevingsvormen, man-vrouw-verhoudingen, relatievormen en opvoedingspatronen. Ook in de sfeer van de arbeid is de onzekerheid toegenomen: de carrières liggen al lang niet meer voor het leven vast.
Dit alles heeft geleid tot een grotere individuele vrijheid ten aanzien van de keuze van manieren van leven. De ervaring en het handelen van mensen wordt niet meer bepaald door een alomvattend maatschappelijk, cultureel of levensbeschouwelijk kader of door één overkoepelende vorm van subjectiviteit. Het individu is een snijpunt geworden van uiteenlopende, veranderende en op elkaar inwerkende invloeden op het gebied van samenlevingsvormen, opvoeding, arbeid, politiek, economie en cultuur. En het wordt door al deze invloeden niet alleen passief bepaald. Het kan zich er ook reflexief toe verhouden. Juiste hedendaagse individuen staan voor de vaak moeilijke opgave eigen antwoorden te vinden op de centrale levensvragen. De vanzelfsprekendheden van vroeger in het sociale leven en in de arbeid hebben plaats gemaakt voor een schemergebied van kansen en risico’s waarin mensen steeds weer opnieuw hun positie moeten bepalen. Men zegt in dit verband wel dat zij een reflexieve identiteit moeten ontwikkelen.
Voor sommige mensen strookt dit precies met hun eigen ontwikkeling en aspiraties. Anderen worden erdoor overrompeld en zouden deze veranderingen het liefst ver van zich weg houden. Bovendien zijn de persoonlijke en sociale mogelijkheden van veel mensen om kansen en risico’s te overzien en keuzes te maken beperkt. Toch kan niemand zich echt onttrekken aan de noodzaak zich ermee te verstaan. En het is aan de hulpverlening de achterblijvers op weg te helpen en waar nodig te ondersteunen.
Er is een nauwe samenhang tussen de ontwikkeling van een reflexieve identiteit en het vertellen van je levensverhaal. Uit de verschillende invloeden die we hiervoor genoemd hebben putten we het materiaal om ons eigen leven en onze relaties met anderen vorm te geven. Ook als je er niet bewust op uit bent neem je er altijd iets van op in je eigen verhaal. Maar dit wordt daarmee niet het exclusieve, definitieve verhaal van je leven. Je kunt het altijd weer bijstellen en opnieuw vertellen, op zoek naar een ander, geloofwaardiger verhaal. Dat verhaal gaat in de kern over de vraag hoe je omgaat met de kansen en bedreigingen in je leven, of, nogmaals, over de vragen Wie ben ik?, Wie wil ik zijn? en Hoe word ik wie ik wil zijn? Daarom spreken we tegenwoordig ook wel over narratieve identiteit (van: narrare, dat: vertellen, verhalen betekent), een identiteit die we ontlenen aan en die zich ontwikkelt in het verhaal dat wij vertellen over ons leven.
In het vervolg van deze bijdrage onderzoeken we hoe de ethiek de reflectie die plaats vindt bij het vertellen van het levensverhaal kan ondersteunen. We gaan daartoe uit van de ethiek als levenskunst en binnen de ethiek van de levenskunst van de deugdethiek. De vraag is dus of de deugdethiek ons niet kan helpen bij het vertellen van ons levensverhaal.
2. De deugdethiek en de zorgethiek als structuur voor het levensverhaal
Opvallend in het verhaal van Mark is niet zozeer de beschrijving van de moeilijkheden die hij moest overwinnen om volwassen te worden – want daarin staat hij niet alleen - maar de manier waarop hij het vertelde. Het is bijna een verhaal over de deugden waarover je moet beschikken om die moeilijkheden te boven te komen en de specifieke betekenis van de deugd van de moed daarin. Hieronder gaan we nader in op de deugd- en zorgethiek als vertelstructuur voor het levensverhaal.
De kardinale deugden en de zorg voor zichzelf
Deugden zijn er vele. Het Virtuesproject, een Amerikaans educatief programma voor de ontwikkeling van de deugden in het gezinsleven, telt er 52. Dat is precies één deugd voor elke week van het jaar, ter verkenning en ter oefening. Misschien is dat een goede manier om de deugden te leren. Maar het bovenstaande verhaal wijst in een andere richting. Dat is een richting die aansluit bij een traditie, die al zo oud is als de deugdleer zelf. Volgens die traditie zijn er onder de vele deugden vier die een bijzondere positie innemen en die daarom de ‘kardinale deugden’ worden genoemd. Dat zijn: het gezonde verstand, de moed, de maat en de rechtvaardigheid. Waarom zijn deze vier zo bijzonder? Daar zijn verschillende redenen voor.
Plato brengt de eerste drie van deze deugden in verband met de drie delen van de ziel: het verstand, het gemoed en de begeerte. Deze worden gelokaliseerd in het hoofd, de zetel van het verstand, het hart, de zetel van de moed en de buik, de zetel van de begeerte. Op dezelfde manier worden ze geassocieerd met de staatsinrichting: de regenten, die wijsheid en gezond verstand nodig hebben om de staat te besturen, de wachters, die moed nodig hebben om de veiligheid van de staat te kunnen verzekeren, en de werkers, die de goederen produceren waarvan iedereen moet leven en die matigheid moeten betrachten. De rechtvaardigheid is een overkoepelende deugd. Zij is mede het effect van de juiste beoefening van de andere deugden.
Een andere reden voor het belang van deze vier deugden is, dat ze bij elkaar kunnen worden opgevat als de elementaire structuur van een levensverhaal. De vier kardinale deugden vormen een leidraad om je levensverhaal of episodes uit je leven op een samenhangende manier te vertellen. Dat zal ik toelichten door ze nog eens op een rijtje te zetten met een nadere omschrijving erbij.
Entelechie
Ik ga daarbij uit van een centraal begrip uit de metafysica van Aristoteles: de entelecheia. Het begrip entelecheia heeft te maken met de verwerkelijking of actualisering van iemands mogelijkheden of potenties. Mensen worden niet geboren als kant en klare werkstukken, maar als onaffe grondstof met een open bestemming. Die bestemming moet nader ingevuld worden. De bestemming van de mens in zijn algemeenheid is het goede. Het goede voor de mens is: handelen op basis van redelijkheid. In het bereiken van die bestemming vindt hij zijn eudaimonia of het geluk. Natuurlijk kunnen we niet in abstracto doen wat redelijk is. We moeten dat concretiseren en dat kunnen we op allerlei manieren doen, afhankelijk van de situaties waarin we verkeren en van onze bezigheden en relaties. Ik ben een zoon, een vader, een minnaar, een leraar, een schrijver enzovoort. Als ik het goede wil bereiken moet ik me dus afvragen wat is om een goede zoon, minnaar, vader, leraar en schrijver te zijn en dat vervolgens proberen te realiseren.
Dit idee kan worden opgevat als het beginpunt van een levensverhaal of, en daar gaat het meestal om, van episodes uit een levensverhaal. Om te worden wat ik wil zijn moet ik definiëren wat voor mij het goede is en dan iets ondernemen om het te realiseren. Natuurlijk kan ik niet alles realiseren wat ik maar bedenk. Ik moet ook rekening houden met de mogelijkheden en de beperkingen van de omstandigheden waarin ik mijn keuzes moet maken. Ik kan die omstandigheden niet altijd naar mijn hand zetten. Maar ik moet me er ook niet achter verschuilen.
Nadere omschrijving van de deugden
Het realiseren (of: actualiseren) van je mogelijkheden (van je potenties) gaat niet vanzelf. Je moet er iets voor doen. En dan blijken er onderweg allerlei obstakels en hindernissen te zijn die je van je goede voornemens afhouden. Tegenslag, incompetentie, gemakzucht en vertier, om er maar een paar te noemen. Om onder dergelijke condities vast te houden aan de richting die je gekozen moet je een stabiele levenshouding hebben. Dat is wat we deugd noemen. Deugd is volgens Aristoteles een stabiele levenshouding die ons in staat stelt keuzes te maken die het juiste midden aanhouden ten aanzien van onze voorkeuren zoals wijzelf en verstandige mensen in het algemeen dat in redelijkheid zouden bepalen (E.N. 1106b36). Dat geldt met name voor de vier kardinale deugden. Met behulp daarvan kunnen we nu de algemene structuur van levensverhalen verder invullen.
Gezond verstand of praktische wijsheid, de deugd van het hoofd, is het praktische inzicht dat ons in staat stelt de juiste bestemming te kiezen in ons leven, in een levensfase of in specifieke situaties of relaties. Mark deed dit door te kiezen voor de school, wat een goede keuze was, omdat die hem een toekomstperspectief bood.
Moed of dapperheid, de deugd van het hart, is onverschrokkenheid tegenover gevaren en angst. Moed is nodig om gevaren en de angst die ze oproepen het hoofd te bieden. Dat kunnen grote, levensbedreigende gevaren zijn, maar ook tegenslagen die je plannen en bedoelingen in gevaar brengen, zoals de tegenwerking van anderen en belemmeringen die je tegenkomt in jezelf. Een laag zelfbeeld bijvoorbeeld kan zorgen voor angsten die je belemmeren voor jezelf op te komen. Die kleinere gevaren hebben bovendien de hebbelijkheid zich te herhalen en zich telkens weer opnieuw en in andere gedaante voordoen. Dan heb je doorzettingsvermogen nodig om telkens weer opnieuw te beginnen. Moed is dus niet alleen dapperheid in het overwinnen van gevaar en angst, maar ook de volharding om telkens weer nieuwe tegenslagen te lijf te gaan. Ook dat kwamen we tegen in het verhaal van Mark.
Maat, zelfbeheersing of bezonnenheid, de deugd van het onderlijf, is nodig om je niet te laten meeslepen door begeerten, verlangens, en verleidingen die je van je bestemming af houden. Als je altijd op stap bent, hou je onvoldoende energie over om aan je voornemens te werken. Bij zelfbeheersing gaat het er ook om je niet te laten meeslepen door je emoties, of ze nu positief of negatief zijn, en je angsten, want ook die kunnen je energie de verkeerde kant op sturen. Dat wil niet zeggen dat je ze moet negeren of ontlopen, want angsten kunnen reëel en emoties, ook negatieve, kunnen terecht zijn. Dat hangt af van de oordelen waarop ze gebaseerd zijn. Die oordelen zijn vaak onbewust. Om te kunnen onderscheiden of ze juist zijn of niet moeten ze bewust gemaakt worden. Daarvoor moet je ze onder ogen zien en onderzoeken. Daar is soms weer moed voor nodig.
Rechtvaardigheid is de deugd die nodig is om te voorkomen dat de manier waarop je met je bestemming omgaat ten koste gaat van anderen. Mark had gemakkelijk kunnen afglijden naar een marginaal bestaan waarin hij zijn frustratie afreageert op mensen die daar niets mee te maken hebben. Daarmee zou hij anderen onrecht hebben gedaan. Maar door de tegenslagen en weerstanden waarmee hij geconfronteerd werd te overwinnen heeft hij zoveel zelfvertrouwen en onafhankelijkheid ontwikkeld, dat hij ook niet meer de behoefte heeft zijn eigen pech op anderen te verhalen.
Het interessante aan het verhaal van Mark is, dat het niet opzettelijk zo verteld werd dat het paste binnen de structuur van de deugdethiek, maar dat die structuur er als het ware spontaan en onwillekeurig in naar boven kwam. Blijkbaar bevatten de vier hoofddeugden in hun onderlinge samenhang de kernstructuur van een levensverhaal. Zoals we echter zullen zien brengen de deugden die we tot nu toe besproken hebben brengen niet alle aspecten van het levensverhaal aan het licht. Ze hebben in eerste instantie te maken met wat wel genoemd wordt de zorg voor zichzelf. Het zijn karakterdeugden die te maken hebben met de vorming van jezelf als persoon. Alleen in de deugd van de rechtvaardigheid komt de betrokkenheid op anderen expliciet naar voren, namelijk in de betekenis dat iedereen recht heeft op een fair aandeel in maatschappelijk welzijn. Pas in de zorgdeugden staat de betrokkenheid op de ander op de voorgrond. Maar voordat we tot de bespreking daarvan overgaan dienen we eerst een ander belangrijk aspect van de deugd te aan de orde te stellen: het idee van het juiste midden.
Het juiste midden
Aristoteles definieerde de deugd in termen van de het juiste midden. Zo is moed is het juiste midden tussen lafheid en roekeloosheid. Maat of zelfbeheersing met betrekking tot je emoties is het juiste midden tussen ongevoeligheid en mateloosheid. Maar wat is precies het juiste midden? Dat te bepalen is niet altijd eenvoudig en moet van geval tot geval bekeken worden. Een dertienjarige jongen kan het dapper vinden, dat hij een oude vrouw van haar tasje heeft beroofd, maar vanuit het perspectief van de deugden is hier hoogstens sprake van durf (wat een ondeugd is) of zelfs van lafheid (omdat er sprake is van durf tegenover een zwakkere). Het probleem is dat de jongen de maatstaf voor de beoordeling van zijn gedrag niet bij zichzelf legt maar bij anderen, de leden van de peergroup. Daardoor is hij niet vrij, maar afhankelijk.
In het algemeen kunnen we zeggen dat de middenpositie ons vrij maakt in de beslissing hoe ons tot een situatie te verhouden. Wie roekeloos is, is niet vrij te beslissen wat te doen, omdat hij zijn verstand niet bij elkaar houdt om een reële afweging van de gevaren te maken. Wie teveel verantwoordelijkheid neemt doet anderen of zichzelf tekort.
In de bepaling van het juiste midden speelt de deugd van de maat een belangrijke rol. Daarom hier wat meer over deze deugd. Maat of zelfbeheersing is het juiste midden ten aanzien van de begeerten en de verlangens (eten, drinken, seks), maar ook ten aanzien van de hartstochten en de emoties. Hartstochten en emoties kunnen positief of negatief zijn. Liefde, genegenheid en verliefdheid worden ervaren als positieve emoties, jaloersheid, woede en haat als negatieve. Je kunt echter niet bij voorbaat uitmaken wat een positieve en wat een negatieve emotie is. Ook dat hangt af van de situatie. Het is daarom beter te zeggen dat emoties terecht of onterecht zijn. Of ze terecht of onterecht zijn hangt af van de gedachten die eraan ten grondslag liggen. Deze kunnen rationeel of irrationeel zijn. Je reageert woedend omdat je denkt dat iemand je te na wil komen, terwijl hij je alleen maar te hulp snelt. Normaal gesproken zal de onderkenning van het irrationele van de gedachte de onterechte emotie doen verdwijnen.
Emoties hebben altijd het gevaar in zich je afhankelijk te maken. Daarom moeten we er volgens sommige filosofen naar streven ons van alle emoties te bevrijden. Daarmee miskennen we echter het belang van emoties in menselijke relaties. Kinderen moeten weten dat hun ouders van ze houden, anders ontwikkelen ze geen gevoelens van vertrouwen en zelfvertrouwen en krijgen ze hechtingsproblemen. Maar ook volwassenen kunnen voor hun welbevinden niet zonder de emotionele erkenning van anderen. Met het idee van het juiste midden kunnen we ons daarvan rekenschap geven.
Om het juiste midden te vinden in de omgang met emoties moet je:
• erkennen dat je emoties er zijn, en wel om twee redenen: ze zijn er gewoon, en: door emoties te ervaren doe je ook kennis op; je weet er bijvoorbeeld door dat je van iemand houdt, of dat iets je woede heeft gewekt;
• beseffen dat mensen voor hun ontwikkeling en welbevinden de emotionele erkenning door anderen nodig hebben;
• de gedachten verwoorden die ten grondslag liggen aan je emoties, daarin rationele van irrationele gedachten onderscheiden en de irrationele gedachten opgeven;
• je niet identificeren met je emoties: ze zijn er, maar je gaat er niet in op.
Maat of zelfbeheersing in de omgang met emoties betekent dus niet dat je je emoties negeert, maar dat je je er niet door laat meeslepen. Emoties kunnen terecht zijn en een teken van welbevinden. Het negeren van je emoties kan bovendien onrechtvaardig zijn ten opzichte van anderen. Deze krijgen daardoor niet de feedback die ze nodig hebben om volwaardig mens te kunnen zijn.
De zorgdeugden en de zorg voor de ander
Zoals gezegd brengen de deugden die we tot nu toe besproken hebben niet alle aspecten van het levensverhaal aan het licht. Ze zijn primair gericht op de zorg voor zichzelf. Er is een ander type deugden dat rechtstreeks gericht is op de ander en de zorg voor de ander. Dat zijn de deugden, eveneens vier in getal, die het thema zijn van de Zorgethiek. Het gaat om de volgende:
• Attent/alert zijn (Attentiveness): dit is het vermogen om eigen doelen, ambities en beslommeringen opzij te zetten om belangstelling te kunnen tonen en aandacht te kunnen hebben voor anderen.
• Verantwoordelijkheid (Responsability) heeft te maken met bijvoorbeeld de zorg van ouders voor hun kinderen, maar ook met het geven van zorg waar daar behoefte aan is en in die behoefte niet op een andere manier wordt voorzien.
• Competent zijn (Competence) is de bekwaamheid die nodig is om er voor te zorgen dat de bedoelde zorg en de aanvaarding van de verantwoordelijkheid ervoor er ook daadwerkelijk toe leiden dat in die zorg wordt voorzien.
• Responsiviteit (Responsiveness) betekent dat we kunnen omgaan met onze eigen kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het ontvangen van zorg en, omgekeerd, dat we respectvol kunnen omgaan met de kwetsbaarheid van anderen die afhankelijk zijn van onze zorg.
Ook de zorgdeugden hebben een zodanige onderlinge samenhang dat ze kunnen worden opgevat als de structuur van een levensverhaal. Een goed voorbeeld daarvan is de parabel van de Barmhartige Samaritaan. Het verhaal gaat als volgt: “Eens reisde een man van Jerusalem naar Jericho, en viel in handen van rovers; ze schudden hem uit, verwonden hem vreselijk, en lieten hem halfdood achter. Toevallig kwam een priester die weg langs; hij zag hem en ging voorbij. Ook een leviet kwam er langs; hij zag hem en ging voorbij. Maar ook een Samaritaan, die op reis was, kwam voorbij; hij zag hem en kreeg medelijden. Hij ging er naar toe, verbond zijn wonden, en goot er olie en wijn op; daarna hief hij hem op zijn eigen lastdier, en bracht hem naar een herberg, en zorgde voor hem. De volgende dag nam hij twee tienlingen, gaf ze aan de waard, en zei: Blijf voor hem zorgen; en wat ge er meer aan besteedt, zal ik u bij terugkomst vergoeden”. (Lukas 10: 30-35). Het is niet moeilijk werkzaamheid van de zorgdeugden in dit verhaal aan te wijzen.
De hedendaagse zorgethiek is een reactie op de eenzijdigheid van het psychologische onderzoek naar de ontwikkeling van het morele bewustzijn, dat primair gericht was op de ontwikkeling van het rechtvaardigheidsgevoel. In de zorgethiek staat niet de rechtvaardigheid, maar de directe betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de ander centraal. Een belangrijke bijdrage aan de zorgethiek is het onderzoek van de ontwikkelingspsychologe Gilligan naar de overwegingen van vrouwen om al dan niet tot een abortus over te gaan. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat de neiging en de bereidheid om verantwoorde¬lijkheid te nemen binnen de sociale netwerken waarvan men deel uitmaakt bij deze vrouwen een grotere rol speelden dan overwegingen van recht en rechtvaardigheid. De kwestie van zorg en verantwoordelijkheid speelt ook in de volgende casus:
Een casus
Mevrouw Jensen is een 36-jarige vrouw van Zuid-Amerikaanse afkomst en getrouwd met een Deense man. Zij is, op verzoek, geadopteerd door Deense pleegouders toen zij 10 jaar oud was. Tot die tijd zat zij in een kindertehuis, terwijl haar ouders nog leefden. Om een snelle voortgang van het adoptieproces te bevorderen werd in haar papieren vermeld dat zij twee jaar jonger was dan het feitelijk geval was. Zijzelf wist hier niets van en ze heeft jarenlang gedacht dat zij jonger was dan ze is. Ze heeft ook lange tijd gedacht dat ze geen familie meer had, maar nu is onlangs gebleken dat haar vader nog in leven is en dat ze in ieder geval nog een zus heeft. Dit is uitgekomen doordat haar zus contact heeft gezocht met haar. Haar adoptie-ouders ontkenden aanvankelijk dat zij nog familie had, maar naderhand moesten zij toegeven dat het wel zo was. Ook bepaalde herinneringen die ze had aan haar familie blijken nu wel te kloppen, terwijl haar adoptie-ouders dat steeds ontkend hadden. Mevrouw Jensen wordt hierdoor goed door elkaar geschud. Haar adoptie-ouders voelen zich afgewezen door haar zoektocht naar haar familiale achtergrond. Ook dat brengt haar in verwarring. Zij heeft in haar leven haar best gedaan om het haar adoptie-ouders naar de zin te maken en aan hun verwachtingen te voldoen. Ze hadden tenslotte veel voor haar gedaan. En nog altijd voelt ze zich verantwoordelijk voor hun welbevinden. Haar partner heeft echter zijn eigen verwachtingen ten aanzien van zijn relatie met zijn vrouw. Mevrouw Jensen slaagt er niet in om temidden van die tegenstrijdige verwachtingen het hoofd boven water te houden.
Wanneer we deze casus analyseren vanuit het perspectief van de zorgdeugden, kunnen we vaststellen dat de ouders in elk geval aandacht hebben gehad voor de nood van hun toekomstige pleegdochter in het kindertehuis. Zij hebben de verantwoordelijkheid voor haar welzijn op zich genomen en haar, naar we mogen aannemen, naar beste vermogen opgevoed. Wat hun overwegingen zijn geweest hun dochter niet te informeren over haar achtergrond kunnen we alleen maar gissen. Achteraf kunnen we hoogstens vaststellen dat dit niet aansloot bij de behoefte van haar dochter. Anderzijds wordt de verantwoordelijkheid die de dochter op zich neemt voor het welzijn van haar ouders vooral gevoed door dankbaarheidsgevoelens. Ondanks de goede bedoelingen leidt dit uiteindelijk tot een crisis bij mevrouw Jensen, omdat zij probeert aan ieders wensen en verwachtingen tegemoet te komen met voorbijgaan aan haar eigen behoeften. In die crisis wendt zij zich tot de hulpverlening.
Werken met deugden
Op welke manier kan de deugdbenadering nu ondersteunend zijn voor de hulpverlening aan mevrouw Jensen en mogelijkerwijs haar pleegouders? Welnu, in het algemeen kunnen we stellen dat de basis voor deze benadering erin bestaat de cliënt feedback te geven in termen van de deugden en uit te nodigen tot reflectie aan de hand van die deugden. Daarbij zijn de volgende stappen van belang:
• de cliënt wordt uitgenodigd zijn verhaal te vertellen.
• de hulpverlener geeft feedback op het verhaal met bijzondere aandacht voor de belevingsaspecten ervan en voor de deugden die in het verhaal naar voren komen, bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid die Mevrouw Jensen aan de dag legt voor haar ouders.
• de hulpverlener nodigt de cliënt uit na te denken over deze deugd, bijvoorbeeld over haar verantwoordelijkheid ten opzichte van haar ouders en over de verantwoordelijkheid van haar ouders ten opzichte van hun dochter. Zij verwoordt voor de cliënt de impliciete definitie van verantwoordelijkheid in haar verhaal, in directe relatie tot de situatie van de cliënt.
• de hulpverlener nodigt de cliënt te zoeken naar het juiste midden ten aanzien van de deugd waar het om gaat, bijvoorbeeld door te onderzoeken wat er zou gebeuren als zij geen verantwoordelijkheid zou nemen, welke verantwoordelijkheid zij kan dragen zonder haar onafhankelijk te verliezen en wat in het algemeen de verantwoordelijkheid van een kind is ten opzichte van zijn ouders.
• de hulpverlener nodigt indien nodig de cliënt uit na te denken over een ander deugdperspectief dat zich aandient als gevolg van de eerste reflectie. Zo lijkt het verantwoordelijkheidsgevoel van Mevrouw Jensen voor haar pleegouders mede te zijn ingegeven door de dankbaarheid die ze hen verschuldigd meent te zijn. De hulpverlener kan de cliënt, teneinde ook hier het juiste midden te vinden, uitnodigen vanuit het perspectief van de maat na te denken over gedachten die ten grondslag liggen aan haar schuldgevoel.
• Op basis van deze reflectie kan de cliënt worden uitgenodigd het verhaal opnieuw te vertellen, en wel zo, dat er nieuwe perspectieven zichtbaar worden, die de positie van de cliënt versterken.
3. Oefeningen in ethische reflectie
Ethische reflectie heeft vele valkuilen. De grootste valkuil is dat we de ander gaan voorschrijven hoe hij moet leven. We spreken dan van normering. Het gaat erom de cliënt uit te nodigen tot reflectie. Wil hij dat niet dan houdt het op.
Om de cliënt te kunnen ondersteunen in zijn zoektocht naar zijn levensethiek moet de hulpverlener zich middels ethische reflectie verdiept hebben in zijn eigen levensethiek.
Studenten kunnen zich hierop voorbereiden door het schrijven van levensverhalen of episoden daaruit op basis van de deugdethiek. Om zich te oefenen moeten ze niet beginnen met negatieve, maar met positieve ervaringen. De oefening moet erop gericht zijn succeservaringen op zo’n manier te vertellen dat de bronnen van het succes zichtbaar worden, zodat daar in de toekomst opnieuw uit geput kan worden.
Studenten moeten zich oefenen om ook schijnbaar negatieve ervaringen in positieve termen te beschrijven. Zo is het niet moeilijk de pleegouders in bovenstaande casus gebrek aan verantwoordelijkheid in de schoenen te schuiven omdat ze hun dochter de informatie over haar herkomst onthouden waaraan zij zo’n behoefte heeft. Maar dan lopen we in de valkuil van de normering. Om dat te voorkomen kunnen we beter aansluiten bij hun gevoel in de steek gelaten te zullen worden en de angsten daarachter, omdat die gevoelens getuigen van hun werkelijke betrokkenheid bij hun dochter. De reflectie zou dan kunnen gaan over de vraag hoe reëel die angsten zijn en hoe rationeel de gedachten die eraan ten grondslag liggen. Verandering van die gedachten en van de bijbehorende gevoelens zal mogelijk indirect een verandering van hun visie op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van hun dochter ten gevolge hebben.
Ethische reflectie kan ook geoefend worden in een intervisiecontext. Hierbij kan het volgende stappenplan behulpzaam zijn:
Stappenplan Deugdreflectie
Deugdreflectie is vorm van intervisie waarin degene die reflecteert (de inbrenger) zijn verhaal vertelt aan de hand van een door de begeleider of de deelnemers voorgestelde deugd. De vorm is geschikt voor twee personen (inbrenger en begeleider) en voor kleine groepen.
INBRENG
Stap 1 De inbrenger beschrijft een situatie of casus waarin er een ethische vraag of dilemma opkomt. Hij geeft in één à twee zinnen de situatie weer, in één à twee zinnen wat het knelpunt is en in één zin de vraag
Stap 2 De andere deelnemers stellen de inbrenger open, niet-suggestieve vragen ter verheldering van het probleem. Denk aan wie?, wat?, waar?, wanneer? en hoe?-vragen.
UITVOERING
Stap 3 De andere deelnemers nemen twee à drie minuten de tijd om in stilte de deugd te kiezen die volgens hen het beste kan dienen als uitgangspunt voor reflectie op de situatie. De deugden waaruit zij kiezen zijn:
Kardinale deugden: Gezond verstand/praktische wijsheid, moed/volharding, maat/zelfbeheersing, rechtvaardigheid.
Zorgdeugden: Attent/alert zijn, verantwoordelijkheid, competentie, responsiviteit.
VARIANT I
De deugden worden op post-its geschreven. De situatie wordt beknopt op een flap-over geschreven. De inbrenger ordent de gekozen post-its rondom de situatie op de flap-over. De deugden waarin hij zich herkent worden dichter bij de situatie geplakt. De deugden waarin hij zich niet of nauwelijks herkent worden verder van de situatie geplakt. De inbrenger kiest vervolgens de deugd aan de hand waarvan hij wil reflecteren.
VARIANT II
Reflectie met twee personen (inbrenger en begeleider): De begeleider kiest een deugd.
Stap 4 De inbrenger vertelt zijn verhaal opnieuw en beschrijft zijn eigen handelen aan de hand van de aangereikte deugd. De andere deelnemer(s) luisteren goed en stimuleren de inbrenger door het stellen van vragen, die hem helpen de gekozen deugd in zijn handelen te illustreren.
AFRONDING
Stap 5 De inbrenger evalueert de reflectiesessie: wat heeft hij er aan gehad? Hoe kijkt hij nu naar zijn situatie? Kan hij nu beter zijn houding bepalen?
Tot besluit.
Ethische reflectie is geen integrale probleemoplosser, maar is een onderdeel van het hulpverleningsproces. Dat brengt de volgende beperkingen voor de werkzaamheid ervan met zich mee:
• De vraag naar het goede leven staat niet op zich. De hulpverlening in het kader van het Social Work heeft drie componenten, een feitelijke, een sociale en een psychische of belevingscomponent. Dit komt tot uitdrukking in het begrip psychosociale hulpverlening. De feitelijke component heeft betrekking op de leefsituatie van de hulpvrager: huisvesting, financiën, arbeid, enzovoort. Feitelijke problemen vragen om een zakelijke aanpak. Bovendien kan de cliënt in de problemen gekomen zijn door omstandigheden die hij zelf niet in de hand heeft. Dan moet de hulpverlening niet op de cliënt, maar op die omstandigheden gericht zijn. De sociale component heeft te maken met de sociale omgeving van de hulpvrager: relaties, vriendschappen, een ondersteunend netwerk, en zijn verhouding tot gedeelde waarden en normen, rechten en plichten. De psychische component heeft te maken met de manier waarop de hulpvrager zijn situatie beleeft. Alleen op dit laatste punt kan ethische reflectie ondersteuning bieden voor de cliënt.
• De cliënt moet willen en kunnen reflecteren. In de gedwongen hulpverlening (bijvoorbeeld in de voogdij en in de reclassering) zal de motivatie om te reflecteren geringer zijn dan in de vrijwillige hulpverlening. Mensen met een verstandelijke beperking zullen meer problemen hebben met reflecteren dan anderen. Dat wil echter niet zeggen dat de mogelijkheid om te reflecteren in deze gevallen bij voorbaat moet worden uitgesloten.
Tegenover deze beperkingen staat aan de andere kant, dat de taak van de hulpverlener in onze tijd niet meer beperkt kan worden tot de ondersteuning van het probleemoplossend vermogen van mensen. Wanneer het juist is, dat hedendaagse individuen veel meer dan vroeger voor de opgave staan eigen antwoorden te vinden op de centrale levensvragen behoort het mede tot taak van de hulpverlener waar nodig en mogelijk de morele kracht en de reflexieve mogelijkheden van mensen te mobiliseren om die opgave het hoofd te kunnen bieden.
Literatuur
Aristoteles, Ethica Nicomachea;ed. Loeb.
Aristoteles, Politica.Ed. Loeb.
Banks, Sarah, and Kirsten Nohr, Teaching Practical Ethics for the Social Professions, Copenhagen 2003.
Banks, Sarah, Ethics, accountability and the social professions, New York 2004.
Beck, Ulrich, Risikogesellschaft. Auf dem Weg in eine andere Moderne, Suhrkamp, Frankfurt/Main 1986.
Bersselaar, Victor van den, "Moral Practices in Social Work, The Possibility of Empowerment by Moralizing", paper NIZW-congres PPP, 7-8 oktober 2004, Amsterdam/Utrecht September 2004.
Bersselaar, Victor van den, "Virtue-ethics as a device for narratives in Social Work, The possibility of empowerment by moralising", in: Journal Européen d'Education Sociale, 7( 2005).
Giddens, Anthony, Modernity and Self-Identity, Self and Society in Late modern Age, Polity Press, Cambridge 1991.
Gilligan,C. In a different vice; Pychological Theory and Woman’s Development, Cambridge (Mass.) 1982.
Kohlberg, Lawrence., ‘Stage and sequence, the cognitive-developmental approach to socialization’, in: D.A. Goslin (Ed.), Handbook of socialization theory and research, Chicago 1969, p. 347-380
Kunneman, Harry, Postmoderne moraliteit, Amsterdam 1998.
Kunneman, Harry, Van theemutscultuur naar Walkman-ego, contouren van een postmoderne individualiteit, Amsterdam 1996.
Laan, Geert van der, Legitimatieproblemen in het maatschappelijk werk, Utrecht 1990.
Leijen, Arie, Profielen van ethiek, van Aristoteles tot Levinas, Bussum 1992.
MacIntyre, Alisdair, After Virtue, a study in moral theory, London 1981.
Nijk, A.J., ‘Het hermeneutische aspect van de andragogie’, in: Tijdschrift voor agologie 7(1978/6)347-367.
Nussbaum, Martha C., The fragility of goodnes, luck and ethics in Greek tragedy, Cambridge (Mass.) 1986.
Nussbaum, Martha C., The therapy of desire, theory and practice in Hellenistic ethics, Princeton 1994.
Nussbaum, Martha C., Upheavals of thought: The intelligence of emotions, Cambridge (Mass.) 2001.
Oser, Fritz K. ‘Moral education and values education: the discourse perspective’, in: Merlin C. Wittrock, Handbook of research on teaching, 3th edition, New York, London 1986.
Plato, Republic, ed. OUP, Oxford 1993.
Tongeren, Paul van, Deugdelijk leven, een inleiding in de deugdethiek, Nijmegen 2003.
Tronto, Joan C., Moral boundaries, a political argument for an ethic of care, New York, London, 1993.
Amsterdam, 15 Maart 2006
