Sophie 2015
Het is de triomf van de terrorist om als gelijke erkend te worden
Nico Koning
Girard en de crisis in Europa
In wat voor wereld leven we opeens? Eind 2015 wordt door regeringsleiders geroepen dat we in oorlog zijn. Nog kort voor die oorlogsverklaringen gaven Europese bewindslieden andere alarmsignalen af: ons asielsysteem wordt onhoudbaar. En het Europese project gaat misschien stranden.
De kranten en journaals gaan grotendeels over de gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan deze noodsignalen: eerst de vluchtelingenstroom en het geschuif met vluchtelingen en vervolgens de terreurdaden. Tussen alle onheilstijdingen is het bericht over het overlijden van een man van bijna 92 jaar niet zo belangrijk. Toch probeer ik dat bericht en die tijdingen hier met elkaar te verbinden omdat de nalatenschap van deze man wellicht een interessante invalshoek biedt voor het overdenken van deze crisis, die misschien ook helpt het hoofd koel te houden.
Het gaat om de Franse denker René Girard, van wie de belangrijkste werken in het Nederlands zijn vertaald na zijn eredoctoraat aan de VU in 1985.
controversieel
Zijn denken is controversieel. Na zijn overlijden[1] las ik een aantal reacties van Nederlanders die hem eerden door aan te geven zijn werk als een eyeopener te hebben ervaren. Om een kleine bloemlezing te geven: dit was ‘waarnaar ik op zoek was’, ‘hij heeft mij geraakt’, ‘ik vond een sleutel’, ‘er werd een nieuwe denkwereld geopenbaard’.
Er is ook een andere kant. Er zijn tijdens zijn leven veel afwijzende reacties geweest op zijn werk en er waren ergernissen. Die hebben vooral te maken met de basisprincipes van zijn denken, in het bijzonder de concepten ‘zondebokmechanisme’ en ‘mimetische begeerte’. Dan gaat het niet zozeer om de concepten als zodanig, maar om de brede toepassing ervan en de overdreven betekenis die eraan zou worden toegekend. Een ander punt is zijn cultuurpessimisme en kritische houding tegenover de moderniteit. Ook Girards polemische stijl wekt weerstand. Misschien is nog wel de grootste bron van weerzin zijn bekering tot een conservatief soort katholicisme, vooral omdat hij geen boodschap heeft aan de gebruikelijke scheiding van geloof en wetenschap en die soms onbekommerd door elkaar laat lopen, vooral in zijn latere werk.
Al deze factoren dragen ertoe bij dat zijn inzichten misschien vaak te snel terzijde worden geschoven. Zelf ben ik ooit door Ivan Illich – een andere denker wiens ideeën niet goed passen in gangbare schema’s – op het spoor gezet van Girards oeuvre en dat bleek alleszins de moeite waard. Ik zet wel een aantal uitspraken en bepaalde aspecten van zijn werk tussen haakjes, maar dan blijft er genoeg over om op door te denken.
Dat laatste heb ik gedaan met Hans Achterhuis in De kunst van het vreedzaam vechten[2]. Dat betekent niet dat het door ons gehanteerde ‘filter’ alle aanstootgevende kanten van Girards werk wegneemt. In een sympathieke recensie van ons boek werd bijvoorbeeld gesteld: ‘Eigenlijk is de onbetwiste voorliefde van beide auteurs voor de hypotheses van René Girard het enige waar ik af en toe over struikelde.’[3] Er waren meer reacties van gelijke strekking.
crisissfeer
Girard heeft veel geschreven over crisissituaties. Een crisissfeer kan onvoorspelbare gevolgen hebben, maar heeft ook zijn eigen wetmatigheden. Juist in crisissituaties worden snel en gemakkelijk zondebokken gemaakt. Dat is een van zijn kerninzichten: in een dergelijke sfeer vervaagt de sensitiviteit voor onschuld.
Om dit mechanisme goed te begrijpen moeten we zicht krijgen op een door Girard beschreven andere, onderliggende wetmatigheid in menselijk sociaal gedrag, namelijk de mimese. Mimese is het onwillekeurig en onbewust overnemen van andermans gedrag. Wij stemmen ons gedrag voortdurend af op dat van anderen en dat geldt ook voor onze waarden, wensen en verlangens. Mimese kan daardoor ook een bron van rivaliteit en uiteindelijk van geweld worden.
Girard begaf zich op meerdere vakgebieden. Ieder die probeert uit zijn indrukwekkende oeuvre de basisinzichten te destilleren, komt altijd uit op die twee grondbegrippen: ‘mimetische begeerte’ en ‘zondebokmechanisme’. Daarnaast lijkt me zijn concept ‘openbaring’ van cruciaal belang, althans de bijzondere betekenis die hij aan dit oude begrip geeft.
Ik zal mij hier concentreren op mimetische begeerte, het meest aanstootgevende van zijn concepten. Het fenomeen waarnaar het verwijst, wordt vaak over het hoofd gezien, zeker op het maatschappelijk macroniveau. De werking van het zondebokmechanisme wordt veel vaker herkend, ook in verband met zowel de vluchtelingencrisis als met terrorismebestrijding. Dat komt misschien omdat we in de loop der tijden veel ontvankelijker zijn geworden voor de stem van slachtoffers en minderheden. Girard stelt dat de joods-christelijke traditie, waarin slachtoffers structureel een stem hebben gekregen, een belangrijke rol heeft gespeeld in de groei van die sensitiviteit.
Voor ik zal proberen recente gebeurtenissen te interpreteren vanuit de mimetische theorie en daar ook een hypothese aan te verbinden over ‘verbreding’ van mimetische krachten in de eenentwintigste eeuw, lijkt het goed het basisconcept nog eens kort toe te lichten en ook even stil te staan bij de mensopvatting die eruit spreekt.
mensbeeld
Wij zijn wezens met bijzondere vermogens en talenten. Ik noem twee kwaliteiten die cruciaal zijn. Mensen hebben een relatief groot empathisch vermogen. Ze zijn daardoor goed in staat om hun gedragingen op elkaar af te stemmen. Dat geeft een voorsprong in de strijd om het bestaan. Daarmee hangt een tweede voordeel samen: mensen hebben cultuur. Ze hebben middelen ontwikkeld als taal en gedragscodes, die het mogelijk maken zich te verbinden tot grotere collectiviteiten. Ze ontwikkelen daarin gemeenschapszin.
Juist deze twee kwaliteiten hebben echter een keerzijde, zoals Girard laat zien. De keerzijde van de empathie is de mimetische rivaliteit; de keerzijde van de gemeenschapszin is het zondebokmechanisme. Girard kritiseert een al te positief mensbeeld.
Mensen zijn misschien de meest sociaal voelende wezens op aarde, maar ze zijn – juist daardoor - ook de meest gewelddadige soort. In ons vermogen tot liefhebben schuilt sinds de oertijd ons vermogen tot haten. In bepaalde opzichten kan Girards antropologie worden opgevat als een seculiere variant van de oude erfzondeleer van Augustinus.
mimetische begeerte
Aristoteles zei al dat mensen de meest mimetische dieren zijn. Dat is een inzicht dat voor velen nog wel acceptabel klinkt. Wij vertonen gedragspatronen die meer aangeleerd zijn dan instinctief. Moeilijker is het om de gedachte te accepteren dat ook onze verlangens aangeleerd zijn. Wij hebben van nature maar heel weinig verlangens: alleen een beperkt aantal fysiek bepaalde behoeften. Maar door de omgang met anderen vanaf onze vroegste jeugd zijn we waarde gaan hechten aan steeds meer mooie en fijne dingen. We zijn niet origineel of uniek, we hebben onze wensen opgedaan bij anderen die iets overeenkomstigs wenselijk vonden. Girard heeft dit idee in zijn eerste grote studie belicht aan de hand van een aantal grote romans uit de wereldliteratuur.[4] Uniek persoonlijke verlangens ziet hij als een romantische illusie. De verlangens borrelen als het ware op door het zien van voorbeelden.
Dat komt voort uit empathie. We kunnen ons met iemand identificeren, ons inleven in een ander. Maar als we voelen wat een ander voelt, gaan we ook verlangen wat een ander verlangt.
Daar is op zich niets mis mee, maar dat gekopieerde verlangen kan op twee manieren een probleem worden. Het eerste probleem doet zich voor als het model van ons verlangen onbereikbaar is en daardoor een onvervulbaar verlangen aanwakkert. Girard noemt dit soort mimese ‘extern bemiddeld’. Het kan leiden tot een totale fascinatie door de ander, een idolatrie met verlies van realiteitsbesef. Girard gebruikt Don Quichot en Madame Bovary als literaire voorbeelden van een dergelijke verdwazing.
Het tweede probleem doet zich voor als het gekopieerde model juist dichtbij en bereikbaar is. De mimese is dan ‘intern bemiddeld’. Gedeelde verlangens kunnen samenbindend werken, bijvoorbeeld bij een gemeenschappelijke fascinatie voor bepaalde muziek, maar dat wordt anders als dit ‘interne’ verlangen uitgaat naar een ondeelbaar goed, als bijvoorbeeld een bepaald voorwerp, een positie of een geliefde van een ander wordt begeerd. Dan kunnen we die ander, met wie we ons aanvankelijk in positieve zin identificeerden, vervolgens op onze weg vinden als rivaal. Een dergelijke rivaliteit kan escaleren, omdat de begeerte wederzijds wordt aangewakkerd door die van de ander. Dat kan zelfs tot geweld leiden.
Dit is in een notendop waar het om gaat bij het concept mimetische begeerte. Ik verwijs voor een uitvoeriger behandeling naar De kunst van het vreedzaam vechten.
mimeseverbreding
Girard heeft bij het ontwikkelen van zijn theorie niet kunnen vermoeden dat we aan het begin van de eenentwintigste eeuw in een proces terecht zouden komen dat kan worden geïnterpreteerd als een mimeseverbreding. Deze wordt veroorzaakt door de snelle opmars van de sociale media. Daarin vermenigvuldigen zich het aantal beschikbare mimetische modellen voor ieder die op die media actief is. Dat is althans de hypothese die ik hier wil opwerpen.
Het mimetisch effect wordt nog versterkt door de beelden die meegeleverd worden. Veel mensen en dingen vragen tegelijk aandacht en je kunt spreken van een veelvoudige aantrekkingskracht uit veel richtingen. Vooral jongeren spiegelen zich vaak aan veel personen tegelijk.
Het ligt dan theoretisch in de lijn der verwachting dat daardoor zowel nieuwe vormen van idolatrie als nieuwe rivaliteiten ontstaan met escalerende conflicten. Door de aard van het medium wordt een fysieke afstand bewaard tot de mimetische modellen en dat werkt wel weer als een rem op geweld. Maar agressieve impulsen vinden hun kanalen. Digitale agressie kan angstwekkende vormen aannemen en zich uiteindelijk vertalen in fysieke agressie. We zien ook – als we het fenomeen relateren aan het concept zondebokmechanisme – dat in snel tempo geavanceerde vormen van pestgedrag ontwikkeld worden.
Een voorbeeld van een anderszins uit de hand gelopen ‘brede mimese’ is de digitale uitnodiging voor een feestje in Haren in 2012, dat uitliep op een massafeestje. Een feestje is in principe geen ondeelbaar goed, maar door de massaliteit van het verlangen ontstaat een schaarsteprobleem.
Een daaraan verwant fenomeen is de snelle organiseerbaarheid van demonstraties, zoals we dat vooral kennen uit de Arabische Lente. Opstanden en revoluties zijn sowieso processen met een mimetisch aspect, maar de dynamiek ervan is fundamenteel veranderd door de sociale media.
mimese en heldenmoed
Ook de snelle verbreiding van de IS-ideologie gaat deels terug op mimeseverbreding. De identificatie met de helden van de jihad verloopt bij Europese aanhangers grotendeels via de sociale media.
We hebben het dan over een mimetische begeerte van het ‘externe’ type. ‘Extern bemiddelde’ mimese is problematisch als het bewonderde voorbeeld een gewelddadig persoon is.
De jihadistische mimese is in zeker opzicht vergelijkbaar met de vroegere identificatie door Europese jongeren met revolutionaire helden, bijvoorbeeld de bewondering voor Duitse RAF-terroristen in de jaren ‘70, de zogenaamde ‘klammheimliche Freude’ over door de RAF gepleegde moorden. Even afgezien van de ideologische verschillen tussen RAF en IS en ook het verschil in ernst van de ermee verbonden misdrijven, zijn er een aantal formele verschillen die voort lijken te vloeien uit de eenentwintigste-eeuwse mimeseverbreding.
Ten eerste kunnen de helden door het gebruik van de sociale media veel dichterbij komen en jongeren bijna rechtstreeks aanspreken en ten tweede zijn er – eveneens door het gebruik van die media - in plaats van een klein aantal grote helden nu vele kleine helden, die allemaal indruk maken met hun geëtaleerde toewijding.
Over de jihadist Abaaoud, tot voor kort een kleine crimineel, maar nu het brein achter de novemberaanslagen in Parijs, wordt gezegd dat hij flamboyant en mediageniek was.[5] Hij pochte in de sociale media over zijn ontsnappingen en ongehinderde reizen, waarbij hij de autoriteiten steeds te slim af was. Ongetwijfeld heeft hij bewondering geoogst. Het is voorstelbaar dat jongeren zoiets intrigeert. Lastiger voorstelbaar is dat jongeren ook wel eens lijken van ongelovigen achter hun auto willen meeslepen, zoals Abaaoud deed. Nog lastiger is het om ons in te leven in het verlangen hem te volgen in een vroege dood. Maar zo’n reis naar het paradijs is wel degelijk gebaseerd op empathie, op identificatie met ‘martelaars’. Door de besmettelijkheid van heldendom, kunnen bizarre illusies verbreid worden. Abaaouds illusie van onkwetsbaarheid door slimheid was complementair met zijn illusie van voortgezet heldendom in het paradijs.
Wereldvreemd heldendom boezemt buitenstaanders angst in, maar is ook een zwakte. Het is belangrijk om te blijven zien dat hier sprake is van verdwazing in de zin van verlies van realiteitsbesef. Er wordt soms gevreesd voor een masterplan van IS-strijders, een uitgekookte strategie om de hele wereld te onderwerpen. Dat lijkt echter een enorme overschatting van hun potentieel. De doelen die zij zich stellen zijn irreëel en de middelen ontoereikend. De doelen van b.v. het Derde Rijk of van het stalinisme waren aanzienlijk realistischer.
De IS-strijd is – hoe bedreigend ook - uiteindelijk een vorm donquichotterie, een windmolengevecht tegen ongeveer alles wat het aardse leven aangenaam kan maken. Het is ondenkbaar dat IS-strijders erin zullen slagen de bevolking van grote stedelijke centra duurzaam aan zich te binden met een dergelijk programma, zeker niet via massale executies. Gewone moslims willen leven en zullen dat regime afschudden. Hun strategie is letterlijk en figuurlijk een doodlopende weg, ook zonder westerse interventie. IS-helden koersen, deels onbedoeld, op zelfvernietiging. Ze zijn op weg naar de eindtijd.
mimese en ressentiment
Voor IS-recruten zijn er diverse begeerlijke zaken, van bewondering door geestverwanten en goedkeuring van Allah tot ongrijpbaarheid en martelaarschap. Die begeerte verbindt hen.
Er is echter ook een tweede soort mimetische begeerte werkzaam, namelijk van het ‘interne’ type. Bij dit type wordt door een mimetisch model een verlangen gewekt waarbij de voldoening van de een ten koste gaat van die van de ander. Er is steeds een verliezer die het nakijken heeft. Soms pakken de krachtsverhoudingen tussen concurrenten permanent uit in het voordeel van dezelfde partij. Dat kan ertoe leiden dat een verliezer zich afwendt en zich oriënteert op andere modellen, maar er kan ook een brandend verlangen blijven smeulen dat steeds weer opvlamt bij de confrontatie met het oorspronkelijke model. Dan ontstaat een ondergrondse stemming van wrok en ressentiment.
Ressentiment wordt vaak genoemd als een voedingsbodem voor radicalisering. Een aaneenschakeling van verlieservaringen op de moderne maatschappelijke speelvelden kan iemand ertoe brengen die velden te verlaten, waarna de verdrongen ambities een bron worden van haat. Dat effect wordt sterker als de nieuwe identificatiemodellen zelf ook door ressentiment zijn gevormd. Dan is een verlangen naar wraak een bron van wraakzucht voor een ander. Een verliezer (wat overigens niet hetzelfde is als een laag geklasseerde) zal van zijn nieuwe model geloven dat die niets geeft om maatschappelijk succes, maar hogere aspiraties heeft. Vervolgens zal hij dat ook met betrekking tot zichzelf geloven.
Er bestaan natuurlijk ook allerlei vormen van echte afwending van maatschappelijke speelvelden in bijvoorbeeld naar binnen gekeerde orthodox-religieuze subculturen. Waar echter wraakzucht heerst, is er geen echte afwending, maar blijft men zich spiegelen aan de vermaledijde tegenstander.
dubbels
Mimetische rivaliteit is een gevecht tussen gelijken. Omdat de strijd ontspringt uit een wederkerig gedeeld verlangen, bestaat de neiging tussen strijdende partijen om zich met de tegenstander te identificeren. Ze gaan als kemphanen in toenemende op elkaar lijken en onbewust elkaars vechtgedrag overnemen. Er ontstaan ‘dubbels’, zoals Girard dat noemt. Tegenstanders ervaren elkaar als totaal verschillend, maar wie op afstand staat, ziet de gelijkenissen. Als we bijvoorbeeld met historische afstand kijken naar het hoge standbeeld op Trafalgar Square, zien we misschien Napoleon staan, maar in werkelijkheid is dat juist het beeld van diens rivaal Nelson.
Bij een ongelijke strijd is dat effect van ‘dubbeling’ afwezig. In een subcultuur van verliezers wordt gevoeld dat men geen partij is tegenover de succesvolle ander. Die verliezers kunnen dan echter proberen het strijdtoneel te transformeren. Als ze een asymmetrische strijd in de maatschappelijke arena kunnen vervangen door een gewelddadige confrontatie, wordt die ander gedwongen de verliezer alsnog serieus te nemen. Het is de triomf van een terrorist om als gelijke erkend te worden.
De gedwongen erkenning van terroristen als serieuze tegenstanders blijft niet zonder gevolgen voor het gedrag van de terrorismebestrijders. Hoewel het in essentie niet gaat om een strijd tussen gelijkwaardige machten, gaan machthebbers toch onwillekeurig een gelijkwaardig vijandbeeld projecteren op de veel kleinere tegenstander. Ze zoeken in het gevecht als het ware hun dubbel.
Zo wordt op pathetische wijze een oorlog verklaard tegen een niet bestaand land. Er moet met gelijke munt terugbetaald worden. De tegenstander valt onze hoofdstad aan, dus wij gaan de hoofdstad van IS bombarderen. Het bombarderen van een Syrische stad als reactie op de wrede acties van enkele ontspoorde Belgische en Franse jongeren, is irrationeel, maar werd in een wereldwijde golf van mimetische woede breed gesteund.
De woordkeus is onthullend: ‘We zullen een genadeloze strijd voeren’. Dit lijkt op het taalgebruik van de tegenstander.
populisme
Bij het spierballenvertoon speelt nog een ander soort mimese mee, die in de westerse landen sinds het begin van deze eeuw snel aan betekenis heeft gewonnen: het kopiëren van populistische retoriek.
De politieke concurrentie tussen democratische partijen voltrok zich in het verleden grotendeels via profilering. Geprobeerd werd via het aanbieden van leuke dingen voor linkse dan wel rechtse mensen mimetische verlangens van kiezers aan te wakkeren voor een politiek programma. En zo hoort het. Nu zien we juist processen van deprofilering: wij zijn evenzeer bezig met jullie zorgen als de populisten, wordt ons gesuggereerd.
Zijn sommige politici van gevestigde partijen jaloers op populisten, die gemakkelijk scoren met onrealistische voorstellen? Ze moeten veel moeite doen om rationele beleidskeuzen uit te leggen. In hun verlangen een graantje mee te pikken uit de bak van makkelijk te winnen stemmen, gaan ze meer en meer op populisten lijken.
Democratieën kunnen behoorlijk ontsporen als politici elkaar mimetisch overbieden met irrationele voorstellen. Dat zien we niet alleen gebeuren bij allerlei plannen om IS of het terrorisme te ‘vernietigen’, maar ook met veel ideeën die erop gericht zijn het vluchtelingenvraagstuk ‘op te lossen’. Niet alleen zijn beide doelstellingen onbereikbaar, maar er worden heel wat onrealistische middelen aanbevolen: Nederlandse grenzen sluiten (met prikkeldraad?), veilige havens creëren (als in Srebrenica?), militair optreden bij de bron (Assad en IS allebei uitschakelen?), de Griekse grens sluiten (met grenswachten op duizenden eilanden?), en zo meer.
schuiven met vluchtelingen
Regeringen van Europese landen zijn beducht voor mimetische effecten van vluchtelingenopvang: sommige Europese burgers willen, net als de vluchtelingen, ook geholpen worden aan huizen en banen.
De zorgen om een mogelijk falen van Europa in de vluchtelingencrisis draaien echter om nog een ander proces dat evenzeer een mimetische karakter heeft. Zoals landen kunnen rivaliseren om iets van positieve waarde binnen te halen, kunnen ze ook rivaliseren om iets van negatieve waarde buiten te houden. Er is een wedloop gaande om als immigratieland zo onaantrekkelijk mogelijk te zijn, teneinde de mensenstroom af te leiden naar de buren. Dit beleid wordt gerechtvaardigd met de stelling dat daarmee een ‘aanzuigende werking’ wordt tegengegaan vanuit de bronlanden, maar die onaantrekkelijkheid is nauwelijks bepalend voor de beslissing om al of niet te vluchten, maar des te meer voor de keuze van het land van bestemming.
Merkel heeft de uitzichtloosheid van dit soort maatregelen treffend onder woorden gebracht: ‘Ik wil niet meedoen aan een wedstrijd “wie is het onvriendelijkst tegen vluchtelingen” zodat ze niet komen’.[6]
Zij kon niet voorkomen dat vervolgens regeringen van diverse Europese landen kritiek leverden op maatregelen van buren om die vervolgens met kleine wijzigingen te kopiëren.
Het is precies deze vorm van mimese, meestal uitgelegd als een tekort aan solidariteit, waarmee het hele Europese project op het spel is komen te staan. Tegen rivaliteit op basis van een ‘negatieve mimetische begeerte’ lijkt weinig kruid gewassen, daar moeten creatieve oplossingen voor bedacht worden. In De kunst van het vreedzaam vechten worden instituties en strategieën beschreven waarmee destructieve effecten van rivaliteit in de loop der geschiedenis zijn beteugeld. Maar het rivaliseren om iets niet te willen hebben is van een andere orde dan ‘gewone’ rivaliteit. Het beteugelen daarvan is moeilijker. Een verwante opgave zien we bij de milieu- en klimaatproblematiek, waarbij ook onaantrekkelijke zaken bij voorkeur doorgeschoven worden.
mimetische zuigkracht
Het meest in het oog springende mimeseprobleem is de zuigkracht die uitgaat van relatieve vrijheid, veiligheid en welvaart in de westerse wereld. Het verlangen naar dit andere paradijs is besmettelijk. Enkele decennia geleden probeerde de Chinese partijleider Deng dit mimetische effect te gebruiken voor de modernisering van China door het tonen van de relatief luxe Amerikaanse woningen op de staatstelevisie.[7] Nu is de wereld veranderd en zijn die beelden alomtegenwoordig, maar ook in omgevingen waarin men juist helemaal geen modernisering wil. En dat zet mensen op een andere manier in beweging dan Deng voor ogen stond: ze willen weg.
Mimeseverbreding vertaalt zich dan ook in bredere migratiestromen. Deze verschillen daarom fundamenteel van eerdere migratiegolven. Zelfs de optimale vluchtroutes worden in een mimetisch proces gestuurd en bijgesteld via de sociale media. We zien steeds op andere plekken grote aantallen mensen die allemaal hetzelfde willen.
Moderne instituties zijn weliswaar gebouwd op regulering van mimetisch verlangen, maar kunnen dat in deze omvang niet aan. Er zijn spelregels, bijvoorbeeld het internationaal vluchtelingenrecht, maar deze zijn gebaseerd op een duidelijk onderscheid tussen vlucht en ander vormen van migratie. Het probleem is nu dat dit verschil vervaagt. Als mensen bij miljoenen tegelijk vluchten, wordt hun situatie in de ontvangende buurlanden steeds moeilijker en uitzichtlozer. Dat leidt ertoe dat mensen kiezen voor ‘doorvluchten’. Dat betekent dat de kracht die hen in beweging brengt veel kleiner hoeft te zijn dan bij de primaire vluchtelingen. Je vlucht pas van huis en haard als het water tot de lippen komt, maar als iemand toch al van huis en haard verdreven is, is half onder water staan ook voldoende om weg te gaan. En dan is er, behalve het fenomeen ‘doorvluchten’, ook nog het ‘meevluchten’.
Laten we vooropstellen dat deze processen niet te keren zijn, zonder dit basisinzicht kunnen we alleen maar brokken maken. Maar ze zijn in betere banen te leiden. Dat wordt geen gemakkelijke opgave, we hebben nieuwe, ruimtescheppende instituties en spelregels nodig. Het probleem is vergelijkbaar met de Sociale Quaestie van de negentiende eeuw en ook met de stormloop van jongeren op de ‘gevestigde orde’ in de twintigste eeuw. We moeten ook nu ‘een revolutie maken voordat die uitbreekt’.[8]
[1] op 4 november 2015
[2] Hans Achterhuis en Nico Koning: De kunst van het vreedzaam vechten: een zoektocht naar de bronnen van geweldbeteugeling, Rotterdam, 2014
[3] Wieteke van der Molen in Doopsgezind.nl van 11/2014
[4] René Girard, De romantische leugen en de romaneske waarheid, Kampen 1986
[5] NRC Handelsblad 18-11-2015
[6] in een tv-interview van 7-10-2015
[7] aldus Kishore Mahbubani in De eeuw van Azië, Amsterdam 2008
[8] Hans van Mierlo in een toespraak in 1968
