CDV
Christen Democratische Verkenningen, 2014/4
Het paradigma van de gemengde conflicten
De huidige geopolitieke ontwikklelingen zijn niet goed te interpreteren met de denkschema’s en ordeningscategorieën die ons ter beschikking staan. Fukuyama’s model van mondiale democratisering en Huntingtons concept van botsende beschavingen zijn ontoereikend om de hedendaagse conflicten te begrijpen. We hebben een nieuw paradigma nodig: het model van de gemengde conflicten. In toenemende mate doen zich namelijk conflicten voor binnen beschavingen, waarbij een moderniseringsverlangen staat tegenover angst voor en afkeer van de moderniteit. Deze tegenstellingen worden steeds vermengd met oudere cultureel bepaalde conflicten. Het denkmodel van de gemengde conflicten noopt in veel gevallen, ook schrijnende gevallen, tot terughoudendheid in de buitenlandpolitiek.
door Nico Koning
De auteur is andragoloog en doceert filosofie en ethiek aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij publiceerde onlangs met Hans Achterhuis De kunst van het vreedzaam vechten.
In de zomer van 2014 stond de wereld op diverse plaatsen tegelijk in brand en werden we allemaal gedwongen om in zekere mate kosmopolitisch te denken, of we dat nou leuk vonden of niet. De Grote Politiek was opeens terug. Het bracht velen van ons in verwarring, niet alleen omdat we in het voorjaar nog met heel andere dingen bezig waren, maar ook omdat de gebeurtenissen soms niet goed te interpreteren waren met de denkschema’s en ordeningscategorieën die ons ter beschikking stonden. Misschien hebben we een nieuw paradigma nodig.
De paradigmastrijd uit de negentiger jaren met betrekking tot buitenlandse politiek speelde weer op. De concurrerende denkmodellen van enerzijds Fukuyama en anderzijds Huntington hebben beide nog steeds een zekere heuristische kracht. Ik zal ze hier nog eens kort met elkaar vergelijken om vervolgens in het licht van de gebleken voordelen en tekortkomingen van beide modellen een aanzet te formuleren van een mogelijk nieuw denkmodel, namelijk dat van ‘gelaagde’ of ‘gemengde conflicten’. Dit laatste paradigma ligt in het verlengde van een moderniseringstheorie die Hans Achterhuis en ik in het najaar van 2014 in de steigers hebben gezet in De kunst van het vreedzaam vechten.[1]
Einde van de geschiedenis
Francis Fukuyama sprong kort voor de val van de Berlijnse Muur in het denkvacuüm dat was ontstaan doordat het model van de Koude Oorlog vrij plotseling achterhaald was. Er was in zijn ogen niet langer een wereldwijde strijd tussen twee politieke en economische systemen, er was alleen nog een mondiaal proces van liberalisering en democratisering gaande. Dat betekende dat de geschiedenissen van vele volkeren convergeren tot één geschiedenis, ze bewegen in dezelfde richting. Daarmee nadert die geschiedenis haar voltooiing, het Einde van de geschiedenis is aangebroken.[2]
Dit model leek later ondersteund te worden door de snelle ontwikkeling van markteconomieën, vooral in de zogenaamde BRICS-landen. Het denkmodel heeft geleid tot overmoedige pogingen om democratische systemen te exporteren naar bijvoorbeeld Irak en Afghanistan. Daarnaast waren elders ook zonder dergelijke pogingen democratische bewegingen werkzaam en leken interne krachten te tenderen naar een liberale democratie. Het model van Fukuyama kreeg een nieuwe actualiteit door de Arabische Lente. Ook in de Arabische wereld leek het licht aan te gaan. De Amerikaanse president Obama had in Cairo aan de vooravond van die Lente nog gezegd dat vrijheid van meningsuiting, democratie en gelijke rechtsbedeling zaken zijn ‘waar alle mensen naar verlangen’. Ook de uitbreiding van de Europese Unie paste in het idee van een onafwendbare voortgang van het moderniseringsproces. Het verlangen van diverse Balkanbewoners en later van Oekraïners om ook Europeaan te zijn, valt vanuit dit perspectief goed te begrijpen.
Inmiddels is de Arabische Lente in de meeste landen die het betrof behoorlijk tegengevallen en blijken er nog heel andere bewegingen werkzaam te zijn. Antimoderne krachten hebben vernieuwingen effectief geblokkeerd of teruggedraaid en ook in Oekraïne en andere Oost-Europese landen kwam een golf van antimoderne woede, vermengd met antiwesterse sentimenten aan de oppervlakte. Die tegenkrachten zijn vooralsnog te groot om te kunnen spreken van een convergentie naar een mondiale democratische orde.
Botsing van beschavingen
Fukuyama’s vroegere leermeester Samuel Huntington had al vroeg aan de bel getrokken en lanceerde in reactie op Het einde van de geschiedenis zijn concept van de Botsende beschavingen.[3] In zijn ogen is door het wegvallen van de tegenstelling tussen de twee grote machtsblokken van de Koude Oorlog een andere categorie van tegenstellingen manifest geworden, namelijk die tussen de verschillende beschavingszones in de wereld. Wij leven niet meer in de twee werelden van de Koude Oorlog en ook anderszins niet in twee werelden, bijvoorbeeld de ontwikkelde en de onderontwikkelde wereld. Wij leven evenmin in de ene wereld van Fukuyama. Wij leven ook niet in talloze werelden of bijvoorbeeld in 195 werelden als we het aantal landen tellen. Huntington houdt het op negen werelden, corresponderend met de grote religieuze tradities van de wereld. De verschillen tussen die beschavingen, die het sterkst aan de dag treden in de landen die op de breuklijnen van die zones liggen, vormen de voedingsbodem voor de meeste internationale conflicten. Hij interpreteert die conflicten vanuit het ‘paradigma van de negen werelden’ of vanuit het ‘beschavingsparadigma’, zoals hij dat ook wel noemt.
Dit beschavingsparadigma leidt tot een veel terughoudender buitenlandse politiek dan het model van Fukuyama. Als we allemaal in één wereld leven, zijn we me z’n allen in elk conflict betrokken; als conflictgebieden echter geen deel uit maken van onze wereld, maar van een van de acht andere werelden, wordt het een ander verhaal. Dan past enige bescheidenheid. Huntington formuleert in dit licht aan het eind van zijn analyse drie richtlijnen voor de buitenlandse politiek. De eerste en belangrijkste is de ‘onthoudingsregel’: bemoei je niet met conflicten in andere beschavingszones.
De tweede regel is de ‘gezamenlijke bemiddelingsregel’. Die houdt in dat de door hem zo genoemde ‘kernstaten’ van een beschavingszone een zekere verantwoordelijkheid hebben naar hun bondgenoten in de conflictgebieden en jegens hen een sussende rol moeten spelen. De derde regel is de ‘gemeenschappelijkhedenregel’, die neerkomt op het versterken van waarden, instellingen en gebruiken die volkeren uit verschillende beschavingszones gemeen hebben.
Het zag er lange tijd naar uit dat Huntingtons model een grotere verklaringskracht had dan dat van Fukuyama voor het begrijpen van talrijke conflicten en ook voor het inschatten van de kansen voor vredestichtende mechanismen. De meeste conflicten en oorlogen waren te interpreteren als breuklijngevechten: een soort territoriumconflicten aan de grenzen van de beschavingszones. Sinds het begin van de Arabische Lente en de daaropvolgende frontverschuivingen in zowel het Midden-Oosten als Oekraïne, lijkt het model echter niet meer te voldoen. Er schenen op elkaar lijkende en aan elkaar verwante democratiseringsbewegingen te zijn in verschillende landen. Er liep een onzichtbare lijn van de opstanden in Iran naar die in Tunesië, maar ook van het Tahrirplein in Cairo naar Taksim in Istanbul en naar Maidan in Kiev. Deze conflicten pasten weer meer in Fukuyama’s model van wereldwijde liberaliseringstendensen.
Moderniseringsconflicten
In het boek De kunst van het vreedzaam vechten hebben Hans Achterhuis en ik de contouren van een model ontwikkeld dat de beperkingen van beide paradigmata probeert te overstijgen. Dat model is gebaseerd op een moderniseringstheorie, waarin de moderniteit begrepen wordt als een geheel van beschavingsordeningen die erop gericht zijn interne conflicten niet uit de weg te gaan, maar op een vreedzame en productieve manier aan te gaan, namelijk met zes confrontatieregulerende strategieën. Dat gebeurt – kort gezegd - in rechts- en handelspraktijken, in debatten en democratische procedures, in sportevenementen en tafelgesprekken, alles volgens spelregels en met respect voor tegenstanders en mededingers. Als de huidige mondiale conflicten vanuit die theorie geherinterpreteerd worden, kunnen we bouwstenen uit zowel het model van Fukuyama als van Huntington gebruiken.
Ik stel voor deze benadering het ‘paradigma van het gemengde conflict’ te noemen. Voortbouwend op Huntingtons rubricering van paradigmata zouden we kunnen zeggen dat het gaat om negen maal twee werelden, namelijk negen strijdperken waarbinnen op negen verschillende wijzen moderniseringsconflicten worden uitgevochten tussen ‘modernen’ en ‘traditionelen’, b.v. in India over vrije partnerkeuze, in de islamitische wereld over de regels voor sluiers en in China over eigendomsrechten. Daarnaast blijven in die negen (of misschien wat meer) werelden ook de oude conflicten doorgaan die in elk van die zones deels al eeuwenlang leven en deels door geografische toevalligheden aan de dag treden, namelijk zowel de interne of ‘sektarische’ conflicten als de externe breuklijnconflicten.
Voor ik dit nader toelicht, lijkt het goed om de tegenstelling tussen de twee veel bediscussieerde, maar vaak misverstane visies van respectievelijk Fukuyama en Huntington te relativeren.
Nuancering door Fukuyama
In de eerste plaats heeft Fukuyama zijn positie in vele publicaties na Het einde van de geschiedenis en de laatste mens steeds verder genuanceerd en is naar die van zijn oude leermeester Huntington opgeschoven. Vooral in zijn twee grote delen van De oorsprong van onze politiek laat hij zien hoe in verschillende beschavingszones de moderniseringsprocessen zich op heel verschillende wijze voltrekken.[4] Hij had zich al eerder gedistantieerd van het neoconservatisme en zich verzet tegen pogingen tot een gewelddadige export van democratische systemen. Er is in zijn denken nog steeds sprake van een mondiale convergentie, maar het tempo en de volgorde van de ontwikkelingen variëren sterk door tal van historische toevalligheden.
Wij zijn daarin nog een stap gegaan, en hebben de richting van de modernisering zelf ook als een historische toevalligheid willen interpreteren. Fukuyama gaat nog steeds uit van een universele menselijke natuur die zich in een bepaalde logische richting ontwikkelt, maar door historische toevalligheden vele afwijkingen vertoont. Wij schrijven die convergentie veeleer toe aan de mimetische aantrekkingskracht van een toevallig succesvol moderniseringsvoorbeeld, namelijk het westerse. Dat verschil met Fukuyama’s benadering is van belang om de ambivalentie te begrijpen van de moderniseringsverlangens. Er zijn maar weinig verlangens die uit de menselijke natuur voortkomen, verlangens zijn gewoonlijk aangeleerd, ook moderniseringsverlangens. Zich spiegelend aan anderen, nemen mensen onbewust de verlangens van anderen over. Die verlangens, die wij, geïnspireerd door René Girard, mimetisch hebben genoemd[5], brengen vaak een soort haat-liefdeverhouding met het westerse voorbeeld met zich mee, een voorbeeld waarvan men tegelijk ook onafhankelijk wil zijn. Die ambivalentie kan omslaan in een diepe afkeer van de moderniteit. Het begrijpen van dergelijke motieven is vandaag van cruciaal belang voor het kunnen interpreteren van wijdverbreide antimoderne en ook antiwesterse sentimenten. Buruma en Margalit hebben een deel van de mechanismen hierachter onderkend in hun Occidentalisme.[6] Fukuyama daarentegen heeft geen bevredigend antwoord op de vaak gestelde eenvoudige vraag: waarom haten zij ons?
Nuancering door Huntington
Hoe is dat bij Huntington? Huntington heeft van zijn kant zijn paradigma van de negen werelden eveneens genuanceerd, en wel met zijn betekenisvolle onderscheid tussen de begrippen ‘westers’ en ‘modern’. Dat deed hij niet achteraf, maar in zijn boek zelf. Sterker: hij deed dat al in een artikel dat hij publiceerde kort voor zijn boek Botsende beschavingen uitkwam.[7] Er is één gemoderniseerde westerse wereld met een specifiek westers cultureel erfgoed, in het bijzonder de klassieke, christelijke en humanistische erfenis, maar er zijn nog acht andere werelden. In elk van die acht andere werelden is in uiteenlopende mate evenzeer sprake van modernisering of minstens van een moderniseringswens: vooruitgang via wetenschap en techniek, scholing, industrialisatie, urbanisatie, sociale mobiliteit en zo meer. Hij brengt in kaart hoe in verschillende landen uiteenlopende waarderingen bestaan voor wat hij ‘westers’ noemt en voor wat hij ‘modern’ noemt en hij signaleert een tendens waarbij die ontwikkeling in steeds meer landen, na een aanvankelijke import van zowel westerse als moderne waarden en praktijken, wordt omgebogen tot pogingen om een eigen niet-westerse weg naar modernisering te zoeken. Hij noemt dat streven ‘reformisme’. Daarmee schuift hij toch op in de richting van de convergentiethese van Fukuyama omdat die moderniseringswens volgens hem in alle andere beschavingen aanwezig is. Bovendien komt hij daarmee dicht in de buurt van onze, aan het denken van Girard ontleende stelling dat modernisering in andere dan westerse beschavingen via mimese op gang wordt gebracht. De implicaties zijn vanuit ons perspectief echter veel verstrekkender dan Huntington het doet voorkomen, want hij blijft de conflicten in de wereld in hoofdzaak interpreteren als botsingen tussen beschavingen, terwijl de moderniseringsverlangens juist vooral leiden tot botsingen binnen beschavingen.
Interacties
De these die ik hier wil verdedigen en die in ons boek nader is onderbouwd, komt erop neer dat een aantal uiteenlopende conflicten zich tegelijkertijd voordoen in dezelfde gebieden en zelfs bij dezelfde personen. De interactie tussen conflicten die ervoor zorgt dat het ene conflict het andere zowel kan versterken als tijdelijk kan afremmen, leidt tot een grote mate van onvoorspelbaarheid en wispelturigheid en tot talrijke snelle frontwisselingen. In Egypte waren bijvoorbeeld seculiere tegenstanders van het oude Moebarak-regime aanvankelijk bondgenoten van de Moslimbroeders in de strijd voor democratische rechten, maar later hun tegenstanders in de strijd voor andere moderne verworvenheden en zij werden daarbij deels zelfs in de armen gedreven van hun vroegere tegenstanders in het leger. In Irak vinden we vandaag soennitische aanhangers van het oude seculiere Baath-regime van Saddam Hoessein zij aan zij strijden met geharnaste fundamentalisten tegen de gemeenschappelijke vijand: de sjiieten. De Amerikanen zijn vandaag hun vijanden, maar morgen hun bondgenoten als de religieuze dwang van IS de boventoon gaat voeren, behalve natuurlijk als de Amerikanen inmiddels prioriteit hebben gegeven aan de strijd tegen het Assad-regime, dat een vanouds concurrerende tak van de panarabische Baath-partij vertegenwoordigt.
Er loopt van alles door elkaar heen. We hebben in de eerste plaats dus te maken met moderniseringsconflicten binnen beschavingen, waarbij een moderniseringsverlangen staat tegenover angst voor en afkeer van de moderniteit. Dat is een strijd tussen groepen en generaties, maar die strijd kan zich ook intern afspelen in het gemoed van afzonderlijke individuen. In de tweede plaats hebben we conflicten tussen beschavingen, zoals uitvoerig door Huntington gedocumenteerd, bijvoorbeeld tussen westers-humanistische en Arabisch-islamitische werelden of tussen Oost-Europese en West-Europese waarden. Ten derde bestaan er binnen beschavingszones vaak oude tegenstellingen tussen rivaliserende interpretaties en vormgevingen van die beschavingen, bijvoorbeeld tussen soennieten en sjiieten of tussen oosters-orthodoxen van twee verschillende patriarchaten. Door deze drie soorten tegenstellingen lopen ook altijd nog persoonlijke rivaliteiten die gewoonlijk een sterk mimetisch karakter hebben en de tendens in zich dragen tot escalatie en het opslokken en ondergeschikt maken van de andere tegenstellingen.
Beleidsregels
Huntington liet zijn analyse uitlopen op de drie genoemde beleidsregels. Deze drie regels blijven in het hier voorgestelde paradigma overeind, maar behoeven dan natuurlijk enige aanvulling.
De eerste regel, de onthoudingsregel, is door Obama handzaam samengevat: ‘Doe geen domme dingen.’ Die geldt in principe voor het derde type conflicten dat we noemden, vandaag in het bijzonder voor conflicten tussen soennieten en sjiieten. Deze strijd maakt dat nu elke buitenlandse interventie in het Midden-Oosten een lachende derde oplevert.
De tweede regel, de gezamenlijke bemiddelingsregel, veronderstelt sterke, maar ook aanspreekbare kernstaten. Deze regel geldt voor conflicten tussen beschavingen, meestal breuklijnconflicten. Het is de verantwoordelijkheid van de kernstaten om hun bondgenoten krachtig in bedwang te houden om te voorkomen dat een conflict zich uitbreidt. In de islamitische beschavingszone ontberen we vandaag een duidelijke kernstaat. Dat maakt het er niet gemakkelijker op. En wat Oost-Europa betreft: het is van levensbelang om de communicatielijnen met de kernstaat Rusland open te houden.
In verband daarmee moet ook Huntingtons derde regel genoemd worden: de gemeenschappelijkhedenregel. Het versterken van mondiale instituties en aanspreekpunten wordt vandaag vooral gefrustreerd door het gedeeltelijke afhaken van Rusland. Het zou kunnen dat de verzwakking van Rusland als gevolg van ondoordacht handelen van de huidige president de internationale instituties voor jaren verlamt. Wellicht moeten westerse beleidsmakers bij zichzelf te rade gaan hoe ze het gevoel van vernedering bij deze voormalige grootmacht enigermate kunnen wegnemen. De geleden nederlaag in de Koude Oorlog is duidelijk niet verwerkt. We weten uit de geschiedenis van de nasleep van de Eerste Wereldoorlog hoe vernietigend het ressentiment van een verloren oorlog met vrede onder vernederende condities kan uitpakken.
Vanuit het hier voorgestelde paradigma van de gemengde conflicten zou Huntingtons gemeenschappelijkhedenregel overigens een wijdere strekking moeten krijgen. Een mondiale modernisering kan worden gestimuleerd door het creëren van grotere speelvelden, vooral gemeenschappelijke markten, maar ook wereldwijde culturele en sportieve uitwisseling, kortom: verstrengeling van beschavingen. Dergelijke processen werken als een rem op oorlogen. Economische ontvlechting van beschavingen is daarom het foute antwoord op conflicten tussen beschavingen. Datzelfde geldt voor een sportboycot en een culturele boycot. Binnen Europa hebben we de vrede nu juist te danken aan de vervlechting van culturen, waarbij de economische verstrengeling waarschijnlijk de belangrijkste factor is.
Nu hebben we nog een vierde beleidsregel nodig. Een dergelijke regel zou moeten gelden voor moderniseringsconflicten in andere beschavingen. Wat doen we met bewegingen buiten de westerse beschavingszone die ons sympathiek voorkomen omdat die opkomen voor moderne waarden? Ik wil hier pleiten – in aansluiting op sinds lang gangbare praktijken van vredesactivisten - voor de ‘informele steunregel’. Wij hebben weinig machtsmiddelen om dergelijke bewegingen te versterken. Massieve steun uit het Westen verzwakt dergelijke bewegingen vaak omdat daar dan binnenlandse krachten weggezet kunnen worden als handlangers van een buitenlandse vijand. Ten tijde van de Koude Oorlog waren we ook betrekkelijk machteloos als er democratische krachten achter het IJzeren Gordijn werkzaam waren. Toch waren informele contacten met westerse geestverwanten op de langere termijn voor dergelijke bewegingen van grote morele betekenis.
De conflictvermenging die zich voordoet in de grootste brandhaarden van vandaag, maken bijna elke interventie kansloos of erger dan dat. De moderniseringsconflicten worden daar overschaduwd en verstikt door de verstrengeling met sektarische gevechten en met antiwesterse sentimenten. Ook oude oorlogen worden vanuit het collectieve geheugen gereactiveerd en nogmaals gevoerd. De spoken van de Tweede Wereldoorlog komen in bijvoorbeeld Oekraïne weer tot leven en in het Midden-Oosten worden zelfs de kruistochten opnieuw beleefd.
Proportionaliteit
Het denkmodel van gemengde conflicten noopt in veel gevallen, ook schrijnende gevallen, tot terughoudendheid. Om misverstanden te voorkomen: dit alles laat twee fundamentele principes onverlet, namelijk het recht op zelfverdediging en de beschermingsverantwoordelijkheid bij genocide. Met betrekking tot beide beginselen geldt echter weer de proportionaliteitsregel. Hoe verwerpelijk en afschuwwekkend sommige waargenomen praktijken ook zijn, soms opzettelijk in beeld gebracht met de kennelijke bedoeling het Westen tot vijand te maken teneinde nieuwe bondgenoten te werven om sterker te staan in een interne strijd, het rechtvaardigt geen massieve oorlogsverklaring. Vernietigingsstrategieën zijn irrationeel. Vergelijkingen met de strijd tegen de nazi’s, gericht op vernietiging van het Derde Rijk, gaan ten enenmale mank, omdat dat in de kern een intern conflict betrof binnen de westerse beschavingszone, waarbij de westerse beschaving als zodanig op het spel stond.
Er valt nog veel te voorkomen met minder verstrekkende doelstellingen dan vernietiging van vijandige of moorddadige entiteiten als de IS. We kunnen hiervoor misschien enige lering trekken uit de ervaringen van de Koude Oorlog. In de Koude Oorlog werd niet gestreefd naar vernietiging van de tegenstander – dat zou ernstige repercussies hebben, werd algemeen beseft – maar van ‘indamming’ van de machtspolitiek van de Sovjet Unie. In de huidige politieke situatie zijn de mogelijke repercussies van een vernietigingsstrategie minder duidelijk, minder voorspelbaar vooral vanwege de verwevenheid van uiteenlopende conflicten, maar ze kunnen toch buitengewoon pijnlijk blijken te zijn. Misschien moeten we ons nu dus maar beperken tot indamming van het kalifaat.
[1] Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten. Een zoektocht naar de bronnen van geweldbeteugeling. Rotterdam: Lemniscaat, 2014.
[2] Francis Fukuyama, The End of History and the Last Man. New York: Harper Collins, 1992. De Nederlandse vertaling: Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Amsterdam: Contact, 1992.
[3] Samuel Huntington, ‘The Clash of Civilizations?’, in: Foreign Affairs (1993); Samuel Huntington, Botsende beschavingen: Cultuur en conflict in de 21ste eeuw. Baarn: Anthos, 1997.
[4] Francis Fukuyama, The Origins of Political Order. London: Profile Books, 2012. De Nederlandse vertaling: De oorsprong van onze politiek. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2011 (met deel 2 in 2014).
[5] René Girard, De romantische leugen en de romaneske waarheid, Kampen: Kok Agora, 1986.
[6] Ian Buruma & Avishai Margalit, Occidentalism. The West in the Eyes of Its Enemies. New York: Penguin Press, 2004. De Nederlandse vertaling: Occidentalisme. Het Westen in de ogen van zijn vijanden, Amsterdam: Atlas, 2004.
[7] Samuel Huntington, ‘The West and the Rest’ in: Prospect, februari 1997.
