Zicht
ZICHT ,
Tijdschrift voor gereformeerd zicht op politiek en maatschappij
bespreking van DE WAARDE VAN WOEDE in 2021/2
bespreking van DE KUNST V/H VREEDZAAM VECHTEN IN 2015/2
beide besproken in de rubriek Boekenschap
Recensie van DE WAARDE VAN WOEDE door Dr. Klaas van der Zwaag
2021/2, p. 101-102
De waarde van woede.
Over opstandigheid en
rechtvaardigheid,
Nico Koning
uitgeverij Damon,
Eindhoven, 2021; 472 blz.;
€ 29,90.
Een cultuurfilosofisch boek over een verschijnsel dat we
in de huidige samenleving steeds meer aantreffen: woede
over en onvrede met bestaande ontwikkelingen. Woede
wordt niet meer gezien als zwakte maar juist als blijk
van innerlijke overtuiging, zij opent het gesprek over grieven.
Veelvormige verontwaardiging is kenmerkend voor
de laatmoderne samenleving, aldus de schrijver. Men appelleert
aan een rechtsgevoel of laat zich drijven door
gevoel van machteloosheid. Dat gevoel is er al van oude
tijden af. In het vroege christendom was er een moed tot
opstandigheid vanuit een radicale opvatting van gerechtigheid,
maar deze werd geremd door de joods-christelijke
deugden van nederigheid en geduld. Voor Luther was
de ongelijkheid van de middeleeuwse standenmaatschappij
geen probleem. Die hoorde nu eenmaal bij het
wereldse rijk.
Toch werd het protestantisme gaandeweg een protestreligie.
Kenmerkend voor het protestantisme, zeker voor de
calvinisten, was dat ieder mens een persoonlijke roeping
heeft om voor de waarheid te staan en daartoe zelf de
Bijbel te raadplegen. Dat riep al gauw het gevaar van zelfoverschatting op, gebrek aan zelfrelativering, wat weer
overeenkomt met de “verlichte illusie”, namelijk die van
de autonomie. De schrijver betoogt dat de omslag in het
denken van het protestantisme uiteindelijk uitmondde in
de Verlichting met de moderne idealen van vrijheid en
gelijkheid. Luther maakte krachten los die opstandigheid
rechtvaardigde, te beginnen met de Boerenopstand. Opstandigheid en rechtvaardigheid zijn niet langer vanzelfsprekende tegenpolen. Het protestantisme was een
soort religieus voertuig van het verzet tegen de
machtsaanspraken vanuit het Heilige Romeinse Rijk van
de Duitse keizer.
De Reformatie kan daarom volgens Koning gezien worden
als een soort bevrijdingsbeweging avant la lettre. De
Reformatie groeide uit tot de eerste grote geslaagde
emancipatiebeweging in de geschiedenis, een revitalisering
van de anti-hiërarchische tendensen. De gelijkheidsidee
kreeg directe maatschappelijke consequenties.
Door Luthers pleidooi voor binnenkerkelijke gelijkheid
zaagde hij aan de stoelpoten van de machthebbers. De
schrijver zegt daarom dat wij misschien wel eerder kinderen
van de Reformatie dan van de Verlichting zijn. Er was
sprake van een hogere gehoorzaamheid, wat volgens
Koning een nieuwe culturele onderstroom in het Westen
geworden. Het revolutionaire vuur is sindsdien niet uitgeblust
en heeft geresulteerd in de rechtsstaat. Opstandigheid
heeft ook geleid tot reactionaire woede, gewekt
door iets wat verloren is gegaan, waarbij het verlorene
wordt teruggeëist. Die oude vormen konden zowel religieus
als seculier geïnspireerd zijn.
Koning concludeert dat onze beschaving deels gegrondvest
is op opstandigheid, want voor al onze vrijheden is in
het verleden gevochten. We blijven echter allergisch voor
heteronomie in die zin dat anderen ons de wet voorschrijven.
Dan wordt onze woede gewekt. Voorlopig zal
woede onze samenleving dus blijven vergezellen. We willen
immers niet terug naar autoritaire verhoudingen.
Maar het komt er wel op aan om woede te disciplineren in
een algemeen geaccepteerde democratie, wil deze niet
ontaarden in wilde woede en ongedisciplineerd gedrag.
Kortom, nog genoeg huiswerk te doen in deze coronatijden
waarin vrijheden weer ten dele beperkt worden ter
wille van het algemeen belang.
KvdZ
recensie van DE KUNST VAN HET VREEDZAAM VECHTEN
door Drs. J.A.Schippers
2015/2, p.68-70 (Thema: Botsing der beschavingen )
Hans Achterhuis en Nico Koning,
De kunst van het vreedzaam vechten,
Een zoektocht naar de bronnen van geweldbeteugeling,
Lemniscaat bv, Rotterdam, 2014,
ISBN: 978-90-4770-219-1, 671 pagina’s, Prijs: € 34,95
Aanvankelijk hadden de auteurs de titel ‘Beschaafd botsen’ in gedachten voor dit boek. Maar schrijvenderwijs kwamen zij tot de ontdekking dat deze titel eigenlijk perfect paste op het boek van Samuel Huntington, dat wij kennen onder die andere titel: Botsing der beschavingen. Daarom is het ‘De kunst van het vreedzaam vechten’ geworden.
Conflicten zijn van alle tijden. Ook onze cultuur en samenleving zijn ermee vergeven. De vraag is alleen: hoe ga je ermee om? Hoe ga je de confrontatie aan en zorg je er tegelijkertijd voor dat een conflict niet uit de hand loopt? In een erudiet essay van 600 pagina’s laten Achterhuis en De Koning de lezer vele hoeken en gaten van de cultuurhistorie zien, waarbij ze telkens het filter van de vraagstelling van hun boek hanteren: hoe werd het geweld beteugeld? En: hoe wordt de vrede bewaard? Het is dus geen boek over oorlog voeren. Daar zijn er ruim voldoende van verschenen. Wat dit boek bijzonder maakt, is dat het over het vermijden van (oorlogs) geweld gaat. Zonder overigens in de utopie te vervallen van een wereld zonder conflicten.
De kunst van het vreedzaam vechten borduurt voort op een slotsom van Achterhuis’ magnum opus Met alle geweld uit 2008. Daarin stelde hij dat we moeten leren leven met geweld, dat zo eerlijk mogelijk onder ogen zien om zo tot inzichten te komen die het geweld kunnen indammen. Samen met Nico Koning werkte Achterhuis deze gedachte uit in een betoog rondom de stelling die enigszins paradoxaal aanvoelt: ‘Alleen wanneer we leren leven met geweld, kunnen we ook leren het te domesticeren.’ Dit vergt voortdurende oefening. Maar deze oefening baart kunst. De kunst van het beschaafd botsen.
De auteurs benoemen acht instituties die in de loop der tijden het geweld meer en meer aan banden leggen en de manier van vechten reguleren: de rechtspraak, het drijven van handel, het vrij kunnen zeggen wat je denkt, het ontstaan van de wetenschap, meer gelijkheid tussen mensen, rationeel denken (wetenschap), de verdeling van de macht (trias politica) en het ontstaan van een overlegcultuur. Deze instituties dragen eraan bij dat mensen niet met elkaar op de vuist gaan of naar de wapens grijpen om conflicten te beslechten. Uiteraard zijn deze beschermingswallen niet in één dag aangelegd. De verschuiving van een toestand van vrijwel voortdurend met elkaar in oorlog zijn naar meer democratie en diplomatie was lang en pijnlijk.
In samenlevingen met traditionele gezagsverhoudingen, onderscheid in standen en klassen, leidt de onderlinge distantie tussen groepen tot reductie van conflicten. Wanneer een samenleving ‘horizontaler’, meer egalitair wordt, de beklemming van sociale verhoudingen minder en de individuele vrijheid groter, neemt de conflictstof ook hand over hand toe. De consequentie hiervan is – als we het leefbaar willen houden – dat iedereen zich steeds meer moet toeleggen op de kunst van het vreedzaam vechten, zo stellen Hans Achterhuis en Nico Koning.
Een ruggengraat van het vertoog in dit boek wordt gevormd door het denken van de Franse filosoof René Girard. Hij beschreef en analyseerde de rol van ‘de zondebok’ in de politiek en cultuur. Elke beschaving is gebouwd op geweld, zo luidt een van zijn grondstellingen. Ter rechtvaardiging van een oorlog werd (en wordt) vaak de vijand tot zondebok verklaard. Ook in de moderne democratie is deze neiging aanwezig. Girard biedt ook een antwoord op de vraag waarom er in een egalitaire samenleving veel meer stof tot ruzie en conflict is. Hierbij speelt het concept van de ‘mimetische begeerte’, het imiteren van het verlangen van de ander, speciaal van iemand die min of meer je gelijke is. Hoe meer gelijkheid, hoe sterker de aandrang om te begeren wat die ander ook heeft. Dit verlangen is volgens Girard een belangrijke bron van geweld. Geweld zit dus niet in de genen of in het karakter van iemand.
Het is een illusie om te menen dat vergroting van de welvaart leidt tot vermindering van de spanningen als gevolg van begeerte. Als iedereen er qua inkomen op vooruit gaat ervaart een individu dat niet als een ‘bevordering’ van zijn positie of welstand. Het verlangen naar meer wordt er niet door gesteld. Politici moeten daarom niet hun focus richten op het creëren van economische groei, maar op het scheppen van orde. Bestrijding van onveiligheid is een veel belangrijker opgave voor overheden vandaag de dag. Maar ook de ‘vrije markt’, een motor van decadentie en ontgrenzing, moet door de overheid ingetoomd en ingekaderd worden. Het goede van de markt is dat zij ruilen of kopen mogelijk maakt in plaats van roven. Maar aanzetten tot wijze zelfbeperking is de markt niet gegeven.
In onze cultuur en ‘marktsamenleving’ rijst de vraag op welke manier dan de schier grenzeloze begeerten en oneindige behoeften aan banden kunnen worden gelegd. Het Bijbelse gebod ‘Gij zult niet begeren’ biedt daarvoor een stevig houvast. Maar Achterhuis en Koning leggen de traditionele inperkers van verlangens, zoals godsdienst en moraal, terzijde. Het gezag van religieuze normen wordt niet breed aanvaard in onze cultuur. Opmerkelijk vind ik dat Achterhuis en Koning pleiten voor ‘reflectieve deugden’ zoals verstandigheid, moed en matigheid. Daarbij grijpen de auteurs terug op de deugden van de stoïcijnen en Aristoteles. Een treffend citaat uit het boek onderstreept de waarde van deze benadering: ‘Wie de ideologische waarden van de moderniteit op absolute wijze consequent doorvoert, maakt de maatschappij kapot’. De auteurs doen een stevige poging om aan de lezers hun boodschap over te brengen dat de moderne beschaving niet losgekoppeld kan worden van haar wordingsgeschiedenis. Zij komt voort uit een traditionele, verticale beschavingsordening.
Voor politici lijkt me dit boek van Achterhuis en Koning een ‘must read’. De auteurs noemen ook inspirerende voorbeelden van politieke leiders die de moed hadden om een situatie van geweld en onderdrukking te doorbreken. Het optreden van Gorbatsjov, F.W. de Klerk en Nelson Mandela, Yitshak Rabin, maar ook Nixon (die naar China ging) komt hierbij illustratief ter sprake. Deze politici waren in staat om af te zien van de harde lijn, uit hun loopgraaf te komen, stonden niet langer op hun strepen, lieten haatzaaiende woorden achterwege en creëerden zo ruimte voor een vreedzame ontmoeting en onderhandelingen.
Ik kom tot een afronding. Binnen het bestek van deze boekenrubriek is het niet mogelijk om recht te doen aan dit encyclopedische boek. Het is een ‘Fundgrube’ van allerlei inzichten en dwarsverbanden. Een diversiteit aan vakwetenschappen wordt benut en verder komt ook de recente literatuur erin aan bod. Dat de auteurs daarbij de bekende these van mr. Groen van Prinsterer ‘In het isolement ligt onze kracht’ foutief interpreteren - namelijk als oproep om je als christen niet in de brede samenleving te begeven, maar je te beperken tot de eigen kring (p. 570) - zij hen ruimhartig vergeven. Groen bedoelde het isoleren ofwel veiligstellen van het bederfwerende beginsel. Het bevechten van vrede tussen mensen blijft een moeitevolle opdracht totdat Christus de volkomen vrede brengt.
JAS

