recensie
De noodzaak van het gebod ‘Gij zult niet begeren’ voor onze maatschappelijke orde
Hans Achterhuis en Nico Koning
De kunst van het vreedzaam vechten
Een zoektocht naar de bronnen van geweldbeteugeling
Rotterdam: Lemniscaat, 2014
671 pagina’s
ISBN 9789047702191
Eimert van Middelkoop
Tot de klassiekers van de sociaal-wetenschappelijke literatuur behoort de studie van de Franse aristocraat Alexis de Tocqueville Over de democratie in Amerika. Hij beschrijft daarin het grootse experiment om op de basis van nieuwe, geradicaliseerde waarden van gelijkheid en vrijheid een nieuwe staat en natie te ontwerpen. Zijn bewondering voor dat experiment is ongeveinsd, maar door alles heen klinkt ook de angst voor de radicaliteit van in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel. Voor Tocqueville was, evenals voor de oude Grieken, het gelijkheidsbeginsel funderend voor politieke en maatschappelijke vrijheid. Als aristocraat was hij echter vertrouwd met een politieke werkelijkheid waarin die vrijheid, in overeenstemming met de klassieke opvatting van democratie in de Griekse stadsstaten, slechts voor een elite, een beperkte politieke en maatschappelijk en bovenlaag gold. Anders dan bijvoorbeeld zijn Nederlandse tijdgenoot Groen van Prinsterer begreep Tocqueville dat in de toekomst de doorwerking van een radicale, geïndividualiseerde gelijkheid niet viel tegen te houden. De standensamenleving, die in Amerika natuurlijk nooit had bestaan, zou naar verloop van tijd ook in Europa passé zijn.
Dat die gedachte hem beangstigde laat zich verstaan. De Franse Revolutie had immers laten zien hoe een proclamatie van de beginselen van gelijkheid en vrijheid niet slechts de standen had ondermijnd, maar ook in haar tegendeel was gekeerd. Vandaar dat hij bij zijn bewondering voor het Amerikaanse experiment beducht was voor datzelfde tegendeel. Hoe kon bijvoorbeeld worden voorkomen dat een radicale toepassing van deze beginselen zou leiden tot een dictatuur van de meerderheid? Of tot een genivelleerde, tot vergaand conformisme dwingende maatschappij en massacultuur?
Inmiddels zijn we vertrouwd geraakt met een moderniteit waarin het gelijkheidsbeginsel wordt gezien als een ultiem beginsel van politieke en maatschappelijke rechtvaardigheid. In ons land heeft dat bijvoorbeeld zijn uitdrukking gevonden in het eerste artikel van de Grondwet, een breed gekoesterde Wet gelijke behandeling en een obsessie met discriminatie van welke aard dan ook. Kortom, de verticale structurering van samenlevingen die in het verleden als zo natuurlijk werd gezien is thans vervangen door een streven naar horizontalisering van vrijwel alle maatschappelijke en politieke verhoudingen. De kracht van deze modernisering is zo groot gebleken dat het de allure heeft gekregen van een universeel model van modernisering. Het is veelszins aanvaard in de Westerse cultuurkring, het was een motor achter de Arabische Lente en vormt een reële bedreiging voor de centraal geleide orde van China.
De triomf van dit model is ook dat het, anders dan veel 19de-eeuwse denkers vreesden, blijkt samen te gaan met een interne orde van vrede. En niet alleen dat, het is een breed gedragen politicologische overtuiging dat moderne democratieën een grote afkeer hebben van het voeren van oorlogen.
Welke ingrijpende processen hieraan ten grondslag hebben gelegen is de inhoud van een breed uitgesponnen, sociaal-wijsgerig vertoog van Hans Achterhuis en Nico Koning onder de speelse titel De kunst van het vreedzaam vechten. Eerder schreef Achterhuis een volumineus boek Met alle geweld over de bronnen van geweld. Dit boek gaat over de beteugeling van geweld. Het is een onderzoek naar het ontstaan en het functioneren van de moderne beschavingspraktijken, die vervolgens worden geïnterpreteerd als vreedzame vechtstrategieën. Het is een poging het wonder te begrijpen van op de waarden van vrijheid en gelijkheid gebaseerde moderne beschavingen die, contra-intuïtief aan alle wijsgerige en politieke denken uit het verleden, niet onveilig zijn - integendeel zelfs.
Het is een observatie en politiek thema waaraan ook door anderen aandacht is gegeven. Zo beschreef Norbert Elias in zijn in 1939 verschenen werk Het civilisatieproces hoe in de achter ons liggende eeuwen het menselijk gedrag zich steeds meer disciplineerde, zowel innerlijk als uiterlijk, tot een vorm van beschaving die verheerlijking van geweld heeft uitgebannen. In onze tijd wordt dit zichtbaar in zowel een afschuw van geweld, zoals tegen vrouwen, kinderen en ook dieren, als ook het als identiteitskenmerk propageren van de Europese Unie als soft power. De Amerikaanse filosoof Fukuyama kwam tot een vergelijkbare conclusie toen hij na de Val van de Muur in 1989 het einde van de geschiedenis proclameerde, de definitieve triomf van de waarden van de rechtsstaat, de democratie en de markteconomie. De filosoof Hegel deed dit overigens al in 1806, na de overwinning in de Slag bij Jena door Napoleon, de drager van de waarden van de Franse Revolutie.
Met een filosofisch en antropologisch vertoog analyseren Achterhuis en Koning op eigen wijze dit proces van modernisering en conflictbeheersing. Gezet in een Darwinistisch frame ontdekken de schrijvers een historisch conflictpotentieel dat allereerst kan ontstaan door de noodzaak van het vervullen van behoeften in de struggle for life. Die strijd is naar zijn aard eindig. Veel ernstiger is het conflictpotentieel dat verborgen ligt in de mimetische begeerte, want die is in principe oneindig. Het concept van de mimetische begeerte komt van de Franse filosoof René Girard. Hij ontwikkelde een antropologie met als centrale notie dat menselijk gedrag in vergaande mate voortvloeit uit nabootsing. De moderne psychologie leert dat mensen mimetische wezens zijn, dat zij zich ontwikkelen door het gedrag van anderen over te nemen. Girard doet dan nog een extra stap door te stellen dat mensen ook de verlangens van anderen overnemen. Zo ontstaat een oneindig conflictpotentieel. Filosofisch is interessant dat deze zienswijze tevens een kritiek is op het mondigheidsideaal van de Verlichting. De mens is niet zo autonoom als wel wordt verondersteld. Ook het authenticiteitsideaal, door Charles Taylor zo diepgravend geanalyseerd, is volgens Girard een romantische leugen waarmee de moderne mens zichzelf voor de gek houdt.
De mimetische begeerte, conceptueel al aanwezig in het werk van bijvoorbeeld Hobbes, Spinoza en Rousseau, is een bron van haat en oneindige conflicten. Het verklaart ook, volgens Girard, het belang van het laatste van de Tien Geboden “Gij zult niet begeren”. Dat gebod beoogt het conflictueuze in de mens te beteugelen. Het tiende gebod is echter slechts een kleine bouwsteen van de cultuurtheorie van Girard. Alle beschavingspraktijken worden gekenmerkt door de noodzaak van beteugeling van de mimetische begeerte om te voorkomen dat deze uitmondt in geweld. Centraal in die praktijken staat de erkenning, bevestiging en vaak sacralisering van het onmiskenbare ervaringsfeit van de menselijke verschillen en ongelijkheid. Vrouwen moeten niet gelijk willen zijn aan mannen, slaven niet aan hun meesters, onderdanen niet aan hun vorsten etcetera. Een standensamenleving dient als sacraal te worden gezien. Alleen zo kan het mimetische verlangen bedwongen worden en een maatschappij van alle geweld worden bevrijd.
Het is een boeiend vertoog, zeker als correctie op de filosofische arrogantie van het Verlichtingsdenken. Achterhuis en Koning laten hun gedachten breed uitwaaieren en raken aan het werk van talloze cultuurfilosofen, antropologen en politieke denkers. Het is een erudiet boek, goed gestructureerd en zeer leesbaar.
Ook zonder het werk van Girard, die vooral bekend is geworden door zijn theorie van de zondebok als conflictdempend middel, kan met de schrijvers de verwondering gedeeld worden dat het afscheid van de ‘normaliteit’ van de ongelijkheid en de aanvaarding in het proces van modernisering van het beginsel van de gelijkheid de orde en vrede de samenleving niet fundamenteel heeft bedreigd, sterker nog: heeft versterkt.
Terecht wijzen de schrijvers erop dat modernisering vereist dat de oude, verticale maatschappelijke orde wordt ondermijnd en ontregeld én dat nieuwe, stabiele vormen worden gevonden. Zeer uitvoerig analyseren Achterhuis en Koning deze omwenteling, waarvan wij nu weten dat die veelszins geslaagd genoemd kan worden. Gewezen wordt op de desacralisering van de oude orde door bijvoorbeeld protestreligies waartoe ze ook het protestantisme rekenen, maar ook door de kritische rol van de oudtestamentische profeten tegenover het gezag van de koningen, de ontmanteling van verwantschapsstructuren die staatsvorming mogelijk heeft gemaakt en de monopolisering van de zwaardmacht door de overheid. In hun politieke analyses vinden ze nauwe aansluiting bij het werk van Fukuyama in diens Origins of the Political Order.
Hun conclusie is dat de mimetische begeerte, in het verleden de rechtvaardiging van een status quo van ongelijkheid, in de moderniteit is bedwongen door nieuwe conflictregulerende strategieën. Een zestal daarvan wordt uitvoerig besproken: de ontwikkeling van een robuuste rechtsorde, het marktmechanisme, de ruimte voor het vrije woord en de wetenschap, de disciplinerende werking van de sport, de democratische procedure als instrument ter beteugeling van politieke macht en de onderhandelingshuishouding in persoonlijke en functionele relaties.
Opvallend is de telkens weer opduikende rol en betekenis van de cultuur van het christendom in deze omwenteling van een verticale naar een horizontale orde. Daarbij maken de auteurs ook gebruik van de recent verschenen, fascinerende studie van Larrry Siedentopf getiteld Inventing the Individual. Siedentopf laat zien hoe het christelijk geloof de Griekse en Romeinse godenwereld heeft ondermijnd en de daarmee samenhangende verabsolutering van verwantschapsrelaties. Met de gelijktijdige proclamatie van de gelijkwaardigheid van alle mensen, de vrijmaking van het geweten en de wil heeft het christendom de basis gelegd voor het gelijkheidsbeginsel dat in de moderne tijd funderend is geworden voor elke, horizontale politieke orde. Daarnaast wijzen Achterhuis en Koning erop dat een fundamenteel wantrouwen tegenover de intenties van overheden een onvervreemdbaar element is gebleven binnen de christelijke traditie. Dat lijkt me goed gezien. Paulus mag dan positief over de overheid hebben gesproken, het laatste bijbelboek waarschuwt echter ook voor de demonie van politieke machten. Een zaak van verlegenheid voor de schrijvers is kennelijk dat uit hun analyse lijkt voort te vloeien dat de handhaving van de rechten van de mens een door het christendom gevormde cultuur veronderstelt. Dat noemen ze een moeilijk houdbare stelling, want dan zouden de mensenrechten niet meer universeel genoemd kunnen worden. Dat lijkt me problemen zoeken. Immers, de universaliteit van de rechten van de mens zijn in reactie op de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder de Holocaust in internationale verdragen en verklaringen universeel verklaard. Dat is toen een politiek-juridisch machtswoord geweest dat gelukkig breed bijval heeft gekregen. Dat de receptie van die overtuiging buiten de Westerse cultuurkring minder vanzelfsprekend is gegaan en nog altijd gaat (bijvoorbeeld in China) doet daar niet aan af.
Achterhuis en Koning hebben op erudiete wijze een origineel boek geschreven dat op eigen wijze behulpzaam kan zijn bij de nooit ophoudende intellectuele reflectie op onze cultuur en haar bronnen.
E. (Eimert) van Middelkoop studeerde sociologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Hij was lid van de Tweede resp. de Eerste Kamer der Staten-Generaal en Minister van Defensie
